TUCHT - PROPORTIONALITEIT - RECHTEN VAN VERDEDIGING
Klager beklaagt zich enerzijds over de zwaarte van de tuchtsanctie en anderzijds over een gebrek aan overleg met zijn advocaat voorafgaandelijk aan de tuchtzitting.
Wat betreft de zwaarte van de tuchtsanctie, merkt de klachtencommissie voorafgaand op dat klager niet betwist dat de verboden substanties aan hem toebehoren. Hij ontkent enkel dat hij deze zou hebben verhandeld. De klachtencommissie is van mening dat, op het niveau van het bewezen zijn van tuchtrechtelijke feiten, dit van weinig belang is, daar bezit evenzeer een tuchtrechtelijke inbreuk uitmaakt als handel. De klachtencommissie meent dat de directie de feiten aldus als bewezen kon beschouwen, tenminste wat betreft het bezit van verboden substanties, het bezit van cash geld en pogen te ontsnappen.
De feiten als volgt zijn gekwalificeerd:
- als inbreuken van de eerste categorie:
o het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties;
o ontsnapping of deelname aan een ontsnapping.
- als inbreuk van de tweede categorie:
o het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen.
Zoals reeds gezegd, voert klager aan dat hij niet handelde in verboden substanties, maar dat deze enkel voor persoonlijk gebruik dienden. Uit de tuchtbeslissing blijkt weliswaar dat de directie klager tuchtrechtelijk heeft bestraft voor handel, niet voor bezit.
De klachtencommissie meent dat onvoldoende gemotiveerd is waarom klager tuchtrechtelijk werd bestraft voor handel. Echter, bezit en handel vallen onder dezelfde tuchtrechtelijke inbreuk, i.e. het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties, zoals voorzien door artikel 129, 7° van de Basiswet. De federale wetgever heeft beide handelingen aldus op hetzelfde tuchtrechtelijk niveau willen plaatsen. In het tuchtregister van klager is de tuchtrechtelijke inbreuk van “bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties” opgenomen. De kwalificatie van de feiten als “bezit” in plaats van “handel” zou aldus geen verschil uitmaken voor het tuchtregister van klager, daar de inbreuk dezelfde blijft, i.e. een inbreuk van artikel 129, 7° van de Basiswet. De klachtencommissie meent dat de directie de feiten aldus juist heeft gekwalificeerd als het “bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties”.
Klager kreeg een ATV van 30 dagen opgelegd. De klachtencommissie meent dat de tuchtsanctie wettelijk en redelijk is, wat betreft de zwaarte van de sanctie.
Wat betreft het gebrek aan overleg met zijn advocaat voorafgaand aan de tuchtzitting, meent de klachtencommissie dat een gebrek aan voorafgaand overleg met een advocaat er niet per se toe leidt dat de rechten van verdediging zijn geschonden. Het is aan de advocaat om te bepalen of men de rechten van verdediging kan opnemen of niet. Indien de advocaat meent dit niet te kunnen, is het mogelijk om een uitstel te vragen.
De klachtencommissie merkt op dat de advocaat op geen enkel moment aangegeven heeft dat zij klager niet kon vertegenwoordigen omwille van het gebrek aan voorafgaandelijk overleg, noch werd er om een uitstel van behandeling gevraagd. De klachtencommissie kan alleen maar vaststellen dat de advocaat klager heeft vertegenwoordigd op de tuchtzitting. Om deze redenen is de klacht niet gegrond, wat betreft het gebrek aan overleg met zijn advocaat voorafgaand aan de tuchtzitting.
Klager beklaagt zich enerzijds over de zwaarte van de tuchtsanctie en anderzijds over een gebrek aan overleg met zijn advocaat voorafgaandelijk aan de tuchtzitting.
Wat betreft de zwaarte van de tuchtsanctie, merkt de klachtencommissie voorafgaand op dat klager niet betwist dat de verboden substanties aan hem toebehoren. Hij ontkent enkel dat hij deze zou hebben verhandeld. De klachtencommissie is van mening dat, op het niveau van het bewezen zijn van tuchtrechtelijke feiten, dit van weinig belang is, daar bezit evenzeer een tuchtrechtelijke inbreuk uitmaakt als handel. De klachtencommissie meent dat de directie de feiten aldus als bewezen kon beschouwen, tenminste wat betreft het bezit van verboden substanties, het bezit van cash geld en pogen te ontsnappen.
De feiten als volgt zijn gekwalificeerd:
- als inbreuken van de eerste categorie:
o het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties;
o ontsnapping of deelname aan een ontsnapping.
- als inbreuk van de tweede categorie:
o het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen.
Zoals reeds gezegd, voert klager aan dat hij niet handelde in verboden substanties, maar dat deze enkel voor persoonlijk gebruik dienden. Uit de tuchtbeslissing blijkt weliswaar dat de directie klager tuchtrechtelijk heeft bestraft voor handel, niet voor bezit.
De klachtencommissie meent dat onvoldoende gemotiveerd is waarom klager tuchtrechtelijk werd bestraft voor handel. Echter, bezit en handel vallen onder dezelfde tuchtrechtelijke inbreuk, i.e. het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties, zoals voorzien door artikel 129, 7° van de Basiswet. De federale wetgever heeft beide handelingen aldus op hetzelfde tuchtrechtelijk niveau willen plaatsen. In het tuchtregister van klager is de tuchtrechtelijke inbreuk van “bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties” opgenomen. De kwalificatie van de feiten als “bezit” in plaats van “handel” zou aldus geen verschil uitmaken voor het tuchtregister van klager, daar de inbreuk dezelfde blijft, i.e. een inbreuk van artikel 129, 7° van de Basiswet. De klachtencommissie meent dat de directie de feiten aldus juist heeft gekwalificeerd als het “bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties”.
Klager kreeg een ATV van 30 dagen opgelegd. De klachtencommissie meent dat de tuchtsanctie wettelijk en redelijk is, wat betreft de zwaarte van de sanctie.
Wat betreft het gebrek aan overleg met zijn advocaat voorafgaand aan de tuchtzitting, meent de klachtencommissie dat een gebrek aan voorafgaand overleg met een advocaat er niet per se toe leidt dat de rechten van verdediging zijn geschonden. Het is aan de advocaat om te bepalen of men de rechten van verdediging kan opnemen of niet. Indien de advocaat meent dit niet te kunnen, is het mogelijk om een uitstel te vragen.
De klachtencommissie merkt op dat de advocaat op geen enkel moment aangegeven heeft dat zij klager niet kon vertegenwoordigen omwille van het gebrek aan voorafgaandelijk overleg, noch werd er om een uitstel van behandeling gevraagd. De klachtencommissie kan alleen maar vaststellen dat de advocaat klager heeft vertegenwoordigd op de tuchtzitting. Om deze redenen is de klacht niet gegrond, wat betreft het gebrek aan overleg met zijn advocaat voorafgaand aan de tuchtzitting.