KC04/23-0113
Non fondée
KC - Beveren
Commission des plaintes
Mesure provisoire
Disciplinaire
VOORLOPIGE MAATREGEL - TUCHT
De voorlopige maatregel is gemotiveerd en genomen door de directie . Gelet op het feit dat het gedrag van klager de vlotte doorloop na de wandeling verhinderde, kon de directie beslissen dat er sprake was van een opzettelijke aantasting van de interne veiligheid. Hierdoor was de beslissing tot voorlopige maatregel verantwoord. De maatregel heeft geen bestraffend karakter. De klacht tegen de voorlopige maatregel is ongegrond.
De directeur heeft zich voor het bewijs en de kwalificatie van de ten laste gelegde feiten gesteund op het RAD gebaseerd op de vaststellingen van de dienstdoende PBA. Andere beambten werden vermeld als getuige. Het rapport is duidelijk. Het personeelslid dat het rapport heeft opgesteld, vermeldt geen twijfel in het rapport. Uit de samenhang van artikel 108 §1 van de Basiswet, p. 33 van het huishoudelijk reglement en de interne dienstnota waarnaar de directie verwijst meent de klachtencommissie dat het bewakend personeel aan klager bij terugkomst van de wandeling mocht vragen om zijn jas uit te doen, ongeacht dat dit hem niet gevraagd werd bij het betreden van de wandeling en zonder dat hij hiervan een schriftelijke beslissing hoefde te ontvangen. De betrokken bepalingen zijn duidelijk. De klachtencommissie meent dat er voor klager geen enkele reden was om dit te weigeren en dat hij door zijn houding een onnodig incident gecreëerd heeft. De feiten zijn bewezen en de tuchtinbreuk is correct gekwalificeerd. De tuchtprocedure is wettelijk verlopen. De sanctie is redelijk en billijk, rekening houdend met het tuchtregister van klager en met alle elementen in het dossier. De klacht tegen de tuchtbeslissing is ongegrond.
De voorlopige maatregel is gemotiveerd en genomen door de directie . Gelet op het feit dat het gedrag van klager de vlotte doorloop na de wandeling verhinderde, kon de directie beslissen dat er sprake was van een opzettelijke aantasting van de interne veiligheid. Hierdoor was de beslissing tot voorlopige maatregel verantwoord. De maatregel heeft geen bestraffend karakter. De klacht tegen de voorlopige maatregel is ongegrond.
De directeur heeft zich voor het bewijs en de kwalificatie van de ten laste gelegde feiten gesteund op het RAD gebaseerd op de vaststellingen van de dienstdoende PBA. Andere beambten werden vermeld als getuige. Het rapport is duidelijk. Het personeelslid dat het rapport heeft opgesteld, vermeldt geen twijfel in het rapport. Uit de samenhang van artikel 108 §1 van de Basiswet, p. 33 van het huishoudelijk reglement en de interne dienstnota waarnaar de directie verwijst meent de klachtencommissie dat het bewakend personeel aan klager bij terugkomst van de wandeling mocht vragen om zijn jas uit te doen, ongeacht dat dit hem niet gevraagd werd bij het betreden van de wandeling en zonder dat hij hiervan een schriftelijke beslissing hoefde te ontvangen. De betrokken bepalingen zijn duidelijk. De klachtencommissie meent dat er voor klager geen enkele reden was om dit te weigeren en dat hij door zijn houding een onnodig incident gecreëerd heeft. De feiten zijn bewezen en de tuchtinbreuk is correct gekwalificeerd. De tuchtprocedure is wettelijk verlopen. De sanctie is redelijk en billijk, rekening houdend met het tuchtregister van klager en met alle elementen in het dossier. De klacht tegen de tuchtbeslissing is ongegrond.