KC04/23-0072
Non fondée
Fondée
KC - Beveren
Commission des plaintes
Mesure provisoire
Disciplinaire
VOORLOPIGE MAATREGEL - TUCHT - CAMERABEELDEN
Klager heeft twee klachten ingediend.
De eerste klacht is gericht tegen een voorlopige maatregel. Gelet op de vaststellingen van de PBA en het afroepen van code oranje omwille van het incident, oordeelt de klachtencommissie dat de directie kon beslissen om een voorlopige maatregel op te leggen: er was sprake van een gevaar voor de orde of de veiligheid. De maatregel heeft geen bestraffend karakter. De klacht tegen de voorlopige maatregel is ongegrond.
De tweede klacht is gericht tegen een tuchtbeslissing. De directeur heeft zich voor het bewijs en de kwalificatie van de ten laste gelegde feiten gesteund op het RAD, gebaseerd op de vaststellingen van de dienstdoende PBA. Het rapport is duidelijk. Het personeelslid dat het rapport heeft opgesteld, vermeldt geen twijfel in het rapport. Klager vraagt om de camerabeelden te bekijken. Er rust op de directie geen verplichting om camerabeelden te bekijken, voor zover er geen tegenindicaties zijn waardoor getwijfeld kan worden aan de feiten zoals beschreven in het RAD. Het stellen van bijkomende onderzoeksdaden, zoals het opvragen van camerabeelden, is wel nodig indien dit noodzakelijk blijkt om tot een zorgvuldige feitenvinding te komen. De klachtencommissie meent dat de directie in deze zaak haar onderzoek voldoende zorgvuldig gevoerd heeft door zich enkel te baseren op het RAD. Ze ziet niet in welke meerwaarde de camerabeelden zouden kunnen opleveren hebben: het staat immers vast dat er een discussie was tussen beide gedetineerden, klager ontkent dit ook niet.
Op basis van het RAD meent de klachtencommissie dat de feiten bewezen zijn en dat de inbreuken gekwalificeerd konden worden als de opzettelijke aantasting van de orde en het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel. De klachtencommissie meent dat de inbreuk van de aantasting van de psychische integriteit aan personen of de bedreiging daarmee niet bewezen is: dat er verwijten gevallen zouden zijn blijkt geenszins uit het RAD. Deze inbreuk kan dan ook niet overeind blijven. De tuchtprocedure is wettelijk verlopen en de klachtencommissie beoordeelt de sanctie als redelijk en billijk. De klacht is gedeeltelijk gegrond.
Klager heeft twee klachten ingediend.
De eerste klacht is gericht tegen een voorlopige maatregel. Gelet op de vaststellingen van de PBA en het afroepen van code oranje omwille van het incident, oordeelt de klachtencommissie dat de directie kon beslissen om een voorlopige maatregel op te leggen: er was sprake van een gevaar voor de orde of de veiligheid. De maatregel heeft geen bestraffend karakter. De klacht tegen de voorlopige maatregel is ongegrond.
De tweede klacht is gericht tegen een tuchtbeslissing. De directeur heeft zich voor het bewijs en de kwalificatie van de ten laste gelegde feiten gesteund op het RAD, gebaseerd op de vaststellingen van de dienstdoende PBA. Het rapport is duidelijk. Het personeelslid dat het rapport heeft opgesteld, vermeldt geen twijfel in het rapport. Klager vraagt om de camerabeelden te bekijken. Er rust op de directie geen verplichting om camerabeelden te bekijken, voor zover er geen tegenindicaties zijn waardoor getwijfeld kan worden aan de feiten zoals beschreven in het RAD. Het stellen van bijkomende onderzoeksdaden, zoals het opvragen van camerabeelden, is wel nodig indien dit noodzakelijk blijkt om tot een zorgvuldige feitenvinding te komen. De klachtencommissie meent dat de directie in deze zaak haar onderzoek voldoende zorgvuldig gevoerd heeft door zich enkel te baseren op het RAD. Ze ziet niet in welke meerwaarde de camerabeelden zouden kunnen opleveren hebben: het staat immers vast dat er een discussie was tussen beide gedetineerden, klager ontkent dit ook niet.
Op basis van het RAD meent de klachtencommissie dat de feiten bewezen zijn en dat de inbreuken gekwalificeerd konden worden als de opzettelijke aantasting van de orde en het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel. De klachtencommissie meent dat de inbreuk van de aantasting van de psychische integriteit aan personen of de bedreiging daarmee niet bewezen is: dat er verwijten gevallen zouden zijn blijkt geenszins uit het RAD. Deze inbreuk kan dan ook niet overeind blijven. De tuchtprocedure is wettelijk verlopen en de klachtencommissie beoordeelt de sanctie als redelijk en billijk. De klacht is gedeeltelijk gegrond.