KC04/23-0001
Fondée
KC - Beveren
Commission des plaintes
Mesure provisoire
Disciplinaire
VOORLOPIGE MAATREGEL - TUCHT - MOTIVERING - SCHADE
De voorlopige maatregel zegt dat klager verplicht op de cel moest verblijven en dat bepaalde voorwerpen werden afgenomen. De maatregel specifieert niet welke voorwerpen worden afgenomen en is onduidelijk op dit vlak. De motivering van de VM is de gekopieerde volledige inhoud uit het rapport. De klachtencommissie is van oordeel dat de beslissing niet motiveert in welke zin de interne veiligheid ernstig en opzettelijk zou zijn aangetast door de vondst van de voorwerpen op cel nadat deze reeds zijn weggenomen. Aangezien de voorwerpen afgenomen waren naar aanleiding van de celcontrole, was er geen risico meer voor de veiligheid. Er zijn geen andere redenen die de VM rechtvaardigen. De klacht tegen de voorlopige maatregel is gegrond.
Wat betreft de tuchtinbreuk opzettelijke beschadiging of vernieling van andermans roerende of onroerende goederen, kan de klachtencommissie uit de motivering niet afleiding dat klager hieraan zelf schuldig werd geacht. Het vuurtje is gemaakt en gebruikt door de celgenoot van klager, hetgeen niet door de directie betwist wordt. De directie neemt klager enkel kwalijk dat hij geen melding heeft gemaakt van het vuurtje of het niet heeft weggegooid. De directie kan dit niet verwachten van klager. Er is geen enkele daad van medeplichtigheid die aan klager kan worden verweten. Enkel op de hoogte zijn van een tuchtinbreuk door een celgenoot is onvoldoende om klager hiervoor te straffen.
Wat betreft de tuchtinbreuk het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepaling, merkt de klachtencommissie op dat de bewoordingen in artikel 130, 2° van de Basiswet een strikte interpretatie vereisen. Deze tuchtrechtelijke inbreuk kan enkel aan de gedetineerde ten laste worden gelegd als de overtreden ‘regel’ een regel betreft die ook daadwerkelijk een schriftelijke neerslag vindt in het huishoudelijk reglement. De directie valt voor deze kwalificatie terug op de algemene bepaling in het huishoudelijk reglement (p.3 – II. Algemene bepalingen). Deze bepaling is evenwel een louter hernemen van het artikel 106 van de Basiswet (titel VI – Orde, veiligheid en gebruik van dwang, Hoofdstuk I – Algemene beginselen en Hoofdstuk II - Algemene gedragsvoorschriften). Dit kan niet dienen als een soort van vangnetbepaling. Anders oordelen zou immers strijdig zijn met het principe dat een gedetineerde tuchtrechtelijk niet gestraft mag worden voor andere inbreuken dan omschreven door de Basiswet samen gelezen met de specifieke tuchtinbreuk van de opzettelijke aantasting van de orde.
De tuchtinbreuken kunnen niet aan klager verweten worden. De tuchtbeslissing is niet wettelijk en moet vernietigd worden. De klacht tegen de tuchtbeslissing is gegrond.
De voorlopige maatregel zegt dat klager verplicht op de cel moest verblijven en dat bepaalde voorwerpen werden afgenomen. De maatregel specifieert niet welke voorwerpen worden afgenomen en is onduidelijk op dit vlak. De motivering van de VM is de gekopieerde volledige inhoud uit het rapport. De klachtencommissie is van oordeel dat de beslissing niet motiveert in welke zin de interne veiligheid ernstig en opzettelijk zou zijn aangetast door de vondst van de voorwerpen op cel nadat deze reeds zijn weggenomen. Aangezien de voorwerpen afgenomen waren naar aanleiding van de celcontrole, was er geen risico meer voor de veiligheid. Er zijn geen andere redenen die de VM rechtvaardigen. De klacht tegen de voorlopige maatregel is gegrond.
Wat betreft de tuchtinbreuk opzettelijke beschadiging of vernieling van andermans roerende of onroerende goederen, kan de klachtencommissie uit de motivering niet afleiding dat klager hieraan zelf schuldig werd geacht. Het vuurtje is gemaakt en gebruikt door de celgenoot van klager, hetgeen niet door de directie betwist wordt. De directie neemt klager enkel kwalijk dat hij geen melding heeft gemaakt van het vuurtje of het niet heeft weggegooid. De directie kan dit niet verwachten van klager. Er is geen enkele daad van medeplichtigheid die aan klager kan worden verweten. Enkel op de hoogte zijn van een tuchtinbreuk door een celgenoot is onvoldoende om klager hiervoor te straffen.
Wat betreft de tuchtinbreuk het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepaling, merkt de klachtencommissie op dat de bewoordingen in artikel 130, 2° van de Basiswet een strikte interpretatie vereisen. Deze tuchtrechtelijke inbreuk kan enkel aan de gedetineerde ten laste worden gelegd als de overtreden ‘regel’ een regel betreft die ook daadwerkelijk een schriftelijke neerslag vindt in het huishoudelijk reglement. De directie valt voor deze kwalificatie terug op de algemene bepaling in het huishoudelijk reglement (p.3 – II. Algemene bepalingen). Deze bepaling is evenwel een louter hernemen van het artikel 106 van de Basiswet (titel VI – Orde, veiligheid en gebruik van dwang, Hoofdstuk I – Algemene beginselen en Hoofdstuk II - Algemene gedragsvoorschriften). Dit kan niet dienen als een soort van vangnetbepaling. Anders oordelen zou immers strijdig zijn met het principe dat een gedetineerde tuchtrechtelijk niet gestraft mag worden voor andere inbreuken dan omschreven door de Basiswet samen gelezen met de specifieke tuchtinbreuk van de opzettelijke aantasting van de orde.
De tuchtinbreuken kunnen niet aan klager verweten worden. De tuchtbeslissing is niet wettelijk en moet vernietigd worden. De klacht tegen de tuchtbeslissing is gegrond.