Ga verder naar de inhoud

KC04/22-0077

Non fondée KC - Beveren Commission des plaintes Mesure provisoire Disciplinaire Mesure d'ordre
VOORLOPIGE MAATREGEL - TUCHT - ORDEMAATREGEL - ARBEID - ONTSLAG - CELMUTATIE


De voorlopige maatregel is gemotiveerd, genomen door de directie en aan klager ter kennis gebracht. Gelet op de vaststellingen van de PBA, kon de directie beslissen dat er sprake was van een gevaar voor de orde en de veiligheid (gezien de aard van de inbreuk en de risico’s daarvan binnen een penitentiaire inrichting). Deze heeft geen bestraffend karakter. De directie kon de voorlopige maatregel opleggen.
De voorlopige maatregel is wettelijk, redelijk en billijk. De klacht tegen de voorlopige maatregel is ongegrond.

De directie kon zich baseren op het rapport om de tuchtinbreuk te beoordelen, waarin de penitentiair beambte stelt een wietgeur te hebben waargenomen ter hoogte van de (mono)cel van klager en dat klager de feiten bekend heeft. Bovendien heeft klager op de tuchtrechtelijke hoorzitting verklaard ‘niet overdag te roken’ en is hij (onlangs) reeds tuchtrechtelijk gesanctioneerd voor het bezit van verboden substanties.
De voorzitter van de klachtencommissie besluit dan ook dat de tuchtinbreuk bewezen is en dat deze correct werd gekwalificeerd in de tuchtbeslissing. De tuchtsanctie van 7 dagen ATV is wettig, redelijk en billijk, gelet op de mogelijke maximumstraf en de tuchtrechtelijke voorgaanden van klager. De klacht tegen de tuchtbeslissing is ongegrond.

De directeur staat in voor de toewijzing van arbeid aan gedetineerden die om arbeid verzocht hebben. De directeur oordeelt vrij over de geschiktheid van de gedetineerde voor een bepaalde werkplaats of een bepaalde functie.
De directeur kon klager ontslaan uit zijn functie, gelet op de bewezen geachte tuchtinbreuk (het bezit van verboden substanties). De voorzitter kan immers begrijpen dat het vertrouwen in klager – noodzakelijk voor de uitoefening van een vertrouwensfunctie – door het beschreven gedrag werd geschonden, wat een verderzetting van het werk als diender onmogelijk maakte. Derhalve acht de voorzitter van de klachtencommissie (de totstandkoming van) het ontslag niet onwettig, onredelijk of onbillijk. De klacht is ongegrond.

Een gedetineerde heeft geen recht van keuze met betrekking tot de cel die hij toebedeeld krijgt. De beslissing tot celmutatie is tot stand gekomen naar aanleiding van het ontslag van klager als sectiediender. Zo verbleef klager op een monocel voorbehouden voor sectiedienders. Toen klager van zijn functie werd afgezet (en er een nieuwe sectiediender werd aangesteld), diende hij te muteren. De mutatie dient aldus gezien te worden in een organisatorisch kader. Op grond van het bovenstaande is de voorzitter van de klachtencommissie van oordeel dat de beslissing tot celmutatie wettig, redelijk en billijk is. De klacht tegen de beslissing tot celmutatie is ongegrond.