KC04/21-0117
Non fondée
KC - Beveren
Commission des plaintes
Disciplinaire
Fouille à corps
FOUILLE LICHAAM - TUCHT
De fouillebeslissing is gemotiveerd als volgt: “Tijdens de wandeling veel handelingen gezien die niet normaal waren. Uitdelen van vermoedelijk sigaretten, verboden middelen. Waarna we na de wandeling een fouille op het lichaam hebben uitgevoerd.” De beslissing is correct genomen en de individuele aanwijzingen zijn voldoende en schriftelijk gemotiveerd in de beslissing. De klacht is ongegrond.
De klacht is gericht tegen een tuchtbeslissing van 7 dagen ATV. De directie baseert zich voor de tuchtinbreuk op het rapport. Wanneer er geen tegenaanwijzingen zijn, kan de directeur zich in principe baseren op rapporten van penitentiair beambten om een tuchtfeit en de ernst van het tuchtfeit te beoordelen. In principe moet de directeur in dat geval ook niet ingaan op verzoeken om bepaald onderzoek te doen zoals het horen van getuigen of het bekijken van camerabeelden. De directie kon zich in dit geval baseren op het rapport om de tuchtinbreuk te beoordelen. Er kan slechts absolute zekerheid bestaan omtrent de aard van de “verdachte substantie” na een expertise van een staal. Dit belet niet dat de gevangenisdirecteur in de vaststellingen van zijn medewerkers, getoetst aan de al dan niet geloofwaardige uitleg van de gedetineerde, voldoende gegevens kon vinden om in redelijkheid aan te nemen dat het inderdaad om een verboden product ging. De directie kon in dit geval de tuchtinbreuk bewezen achten. De klacht is ongegrond op dit vlak.
De fouillebeslissing is gemotiveerd als volgt: “Tijdens de wandeling veel handelingen gezien die niet normaal waren. Uitdelen van vermoedelijk sigaretten, verboden middelen. Waarna we na de wandeling een fouille op het lichaam hebben uitgevoerd.” De beslissing is correct genomen en de individuele aanwijzingen zijn voldoende en schriftelijk gemotiveerd in de beslissing. De klacht is ongegrond.
De klacht is gericht tegen een tuchtbeslissing van 7 dagen ATV. De directie baseert zich voor de tuchtinbreuk op het rapport. Wanneer er geen tegenaanwijzingen zijn, kan de directeur zich in principe baseren op rapporten van penitentiair beambten om een tuchtfeit en de ernst van het tuchtfeit te beoordelen. In principe moet de directeur in dat geval ook niet ingaan op verzoeken om bepaald onderzoek te doen zoals het horen van getuigen of het bekijken van camerabeelden. De directie kon zich in dit geval baseren op het rapport om de tuchtinbreuk te beoordelen. Er kan slechts absolute zekerheid bestaan omtrent de aard van de “verdachte substantie” na een expertise van een staal. Dit belet niet dat de gevangenisdirecteur in de vaststellingen van zijn medewerkers, getoetst aan de al dan niet geloofwaardige uitleg van de gedetineerde, voldoende gegevens kon vinden om in redelijkheid aan te nemen dat het inderdaad om een verboden product ging. De directie kon in dit geval de tuchtinbreuk bewezen achten. De klacht is ongegrond op dit vlak.