Ga verder naar de inhoud

KC02/26-0071

Fondée KC - Antwerpen Commission des plaintes Mesure provisoire Disciplinaire Fouille à corps
VOORLOPIGE MAATREGEL - TUCHT - STRAFCEL - SANCTIE

De klacht betreft een voorlopige maatregel, een beslissing tot fouillering op het lichaam en een tuchtbeslissing van de directie van de gevangenis van Antwerpen.

- De voorlopige maatregel

De klachtencommissie stelt vast dat de bij het dossier gevoegde voorlopige maatregel van 27 mei 2026 werd gemotiveerd op basis van het tweede RAD (m.n. dit van 27 mei 2026 om 16u15). Echter waren de feiten uit het eerste RAD (27 mei 2026 om 16u00) de oorspronkelijke aanleiding tot de plaatsing. De directie bevestigt tijdens de zitting van de klachtencommissie dat de feiten opgenomen in de voorgelegde voorlopige maatregel inderdaad niet de oorzaak van de beslissing tot plaatsing zijn, en dat ze nog zou nagaan of de motivering van de oorspronkelijke maatregel nog in het dossier zit.

De directie werd na deze verklaring ter zitting op verschillende momenten, over een periode van meer dan één maand, in de mogelijkheid gesteld het gevraagde stuk aan de klachtencommissie en aan klager over te maken. De klachtencommissie ontving tot op heden geen enkele reactie.

De klachtencommissie besluit, in navolging van de rechtspraak van de Raad van State , dat de afwezigheid van een administratief dossier wordt gelijkgesteld met de afwezigheid van deugdelijke motieven waarop de bestreden beslissing is gesteund.

Bij gebreke aan dossier kan de klachtencommissie immers geen daadwerkelijke controle op de wettigheid van de aangevochten beslissing uitoefenen.

De klacht is gegrond. De klachtencommissie vernietigt de bestreden voorlopige maatregel.


- De fouillering op het lichaam

Op de beslissing tot voorlopige maatregel van 27 mei 2026 wordt aangeduid dat klager werd gefouilleerd op het lichaam. Er is voor het overige geen motivering van de fouillering. Dit is in strijd met artikel 108 en artikel 8 van de Basiswet.

De plaatsing in een beveiligde cel of strafcel rechtvaardigt geen fouillering op het lichaam indien er geen individuele aanwijzingen zijn waaruit kan vermoed worden dat de gedetineerde in het bezit is van verboden voorwerpen of substanties die gevaarlijk kunnen zijn. Het is onwettig om stelselmatig een fouillering op het lichaam op te leggen bij een plaatsing in een beveiligde cel of strafcel, zonder dat het gedrag van de gedetineerde daartoe aanleiding geeft.

De directie geeft in haar motivering niet aan welke de individuele aanwijzingen waren dat klager in het bezit zou zijn van verboden of gevaarlijke voorwerpen of substanties. Deze wijze van handelen door de directie geeft de indruk van een systematische fouille op het lichaam vooraleer een gedetineerde in de beveiligde cel wordt geplaatst, wat verboden is. Een fouille op het lichaam dient steeds grondig gemotiveerd te worden door de directie. De beslissing tot fouillering op het lichaam is daarom onwettig.

De klachtencommissie verklaart deze klacht dan ook gegrond. De klachtencommissie vernietigt de beslissing tot fouillering op het lichaam.


- De tuchtbeslissing

De directie nam op 30 mei 2026 een tuchtbeslissing ten aanzien van klager, wegens ‘de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee’ en ‘de opzettelijke aantasting van de psychische integriteit van personen, of de bedreiging daarmee’, beide inbreuken van de eerste categorie. De sanctie hiervoor betreft de opsluiting in de strafcel voor de duur van vier dagen, lopende van 27 mei 2026 tot en met 30 mei 2026.

De uitspraken van klager werden nauwkeurig opgenomen in de rapporten, die door verschillende personeelsleden werden opgemaakt en ondertekend. Dit laat weinig ruimte voor interpretatie. Klager zou zijn uitgelokt door een bepaalde beambte die het op hem gemunt heeft, maar die hypothese spreekt zijn uitlatingen niet goed. De klachtencommissie acht het niet noodzakelijk om de getuigen te horen, omdat de camerabeelden en het RAD de nodige informatie verschaffen. De klachtencommissie besluit dat de feiten bewezen en aan klager toe te rekenen zijn.

Op basis van klagers tuchtregister stelt de klachtencommissie vast dat klager door opeenvolgende tuchtsancties in afzondering zou verblijven van 12 mei 2026 tot en met 7 juni 2026. Gedurende heel deze periode verbleef klager onder een sanctie van ATV. Klager zat dus 27 opeenvolgende dagen in ATV. De opsluiting in de strafcel uit voorliggend dossier, vond vier dagen plaats, m.n. van 27 mei 2026 tot en met 30 mei 2026, dus tijdens een lopende ATV-sanctie.

Uit het antwoord van de directie op de bijkomende vraag (zie luik ‘procedure’) blijkt dat de lopende ATV-sancties werden opgeschort doordat klager tussendoor in de strafcel werd geplaatst, waardoor de sanctie op die manier dus verlengd werd met vier dagen (de duur van de opsluiting in de strafcel), tot 11 juni 2026. Er is bijgevolg sprake van 27 dagen ATV én 4 dagen opsluiting in de strafcel. Dit betekent dat klager 31 dagen in afzondering heeft geleefd.

Uit de samenlezing van de artikele 139 en 142 van de Basiswet wordt afgeleid dat een ATV ook niet met een opsluiting in de strafcel mag worden verlengd indien de totale duur van de sanctie de 30 dagen te boven gaat, of 45 dagen in geval van een zware aanslag op de fysieke integriteit van een persoon. De feiten uit dit dossier maken geen zware aanslag uit op de fysieke integriteit van een persoon. Bijgevolg mocht het verblijf in de strafcel gecombineerd met de reeds lopende ATV’s van klager niet met 4 dagen verlengd worden en had de directie een andere of kortere tuchtsanctie van maximaal 3 dagen opsluiting in de strafcel moeten opleggen, zodat de totale duur hiervan de 30 dagen niet zou overschrijden.

De klacht is gedeeltelijk gegrond. De klachtencommissie vernietigt de tuchtbeslissing gedeeltelijk, in de mate waarin de tuchtsanctie op meer dan 3 dagen opsluiting in de strafcel werd bepaald. De uitspraak van de klachtencommissie komt in de plaats van de gedeeltelijk vernietigde beslissing.

Gezien de gevolgen van de vernietigde beslissingen niet meer ongedaan kunnen gemaakt worden , kent de klachtencommissie aan klager de volgende tegemoetkoming toe: één extra fitnessbeurt.