KC02/26-0053
Fondée
KC - Antwerpen
Commission des plaintes
Autre décision directeur
ARBEID - ONTSLAG
De klacht betreft de beslissing tot afzetting van werk van de directie van de gevangenis van Antwerpen.
De klachtencommissie stelt vooreerst vast dat de directie geen schriftelijke ordemaatregel kan voorleggen. Het dossier bevat uitsluitend verschillende rapporten en meldingsverslagen over het werk van klager, alsook een werkplaatsfiche waarop twee meldingen gemaakt worden. Dat er geen sprake is van een (schriftelijke) ordemaatregel, wordt ter zitting van de klachtencommissie bevestigd.
Van de beslissing tot afzetting van werk werd wel nota gemaakt op het RAD van 28 maart 2026: “afgezet, mag op de lijst voor ander werk”.
De klachtencommissie meent dat de directie gegronde redenen had om te oordelen dat klager niet geschikt was voor de arbeidspost. De klachtencommissie ziet, ondanks de verklaringen van klager, geen redenen om te twijfelen aan de inhoud van de rapporten en verslagen waaruit blijkt dat klagers gedrag te wensen overliet. Bovendien geeft klager zelf aan dat hij meermaals niet of te laat kwam opdagen, wat op zich al valt onder de situatie dat de gedetineerde niet de vereiste ‘technische’ kwaliteiten heeft om het werk correct uit te voeren of om een andere reden niet geschikt is voor die arbeidspost. De klachtencommissie vindt de beslissing van de directeur om klager als gevolg van deze meldingen af te zetten van zijn werk, niet onredelijk.
Uit het dossier en de verklaringen ter zitting blijkt dat klager op de hoogte was van de meldingen en dat hij hierover steeds gezien en gehoord werd door de directie.
De klachtencommissie stelt vast dat er echter wel discussie bestaat over de in kennisstelling van de ontslagbeslissing. Volgens de directie werd klager hiervan door een directeur op 30 maart 2026 mondeling op de hoogte gebracht; volgens klager werd hij hiervan slechts op de hoogte gebracht toen een beambte de werkkledij kwam halen op zijn cel.
Zoals hoger vermeld, is er in voorliggend dossier geen sprake van een schriftelijk gemotiveerde ordemaatregel tot afzetting van werk. Dit betekent dat de ontslagbeslissing aldus niet werd genomen met inachtneming van bovengenoemde dienstnota. Doordat er geen schriftelijke ordemaatregel voorhanden is, kan de klachtencommissie niet vaststellen of, wanneer en op welke manier klager op de hoogte werd gesteld van de ontslagbeslissing. De klachtencommissie is van oordeel dat de loutere vermelding van de afzetting op het RAD niet volstaat om te spreken van “een schriftelijke gemotiveerde beslissing die de gedetineerde moet toelaten te begrijpen waarom hij niet langer als ‘geschikt’ wordt beschouwd”, zoals vereist door de dienstnota.
Om deze redenen is de klacht gegrond. De klachtencommissie beperkt zich tot het gegrond verklaren van de klacht, gezien klager intussen ander werk heeft. Aangezien de klachtencommissie niet van oordeel is dat de ontslagbeslissing op zichzelf onredelijk was, is er geen sprake van gevolgen die niet meer ongedaan kunnen worden gemaakt en kent zij verder ook geen tegemoetkoming toe.
De klacht betreft de beslissing tot afzetting van werk van de directie van de gevangenis van Antwerpen.
De klachtencommissie stelt vooreerst vast dat de directie geen schriftelijke ordemaatregel kan voorleggen. Het dossier bevat uitsluitend verschillende rapporten en meldingsverslagen over het werk van klager, alsook een werkplaatsfiche waarop twee meldingen gemaakt worden. Dat er geen sprake is van een (schriftelijke) ordemaatregel, wordt ter zitting van de klachtencommissie bevestigd.
Van de beslissing tot afzetting van werk werd wel nota gemaakt op het RAD van 28 maart 2026: “afgezet, mag op de lijst voor ander werk”.
De klachtencommissie meent dat de directie gegronde redenen had om te oordelen dat klager niet geschikt was voor de arbeidspost. De klachtencommissie ziet, ondanks de verklaringen van klager, geen redenen om te twijfelen aan de inhoud van de rapporten en verslagen waaruit blijkt dat klagers gedrag te wensen overliet. Bovendien geeft klager zelf aan dat hij meermaals niet of te laat kwam opdagen, wat op zich al valt onder de situatie dat de gedetineerde niet de vereiste ‘technische’ kwaliteiten heeft om het werk correct uit te voeren of om een andere reden niet geschikt is voor die arbeidspost. De klachtencommissie vindt de beslissing van de directeur om klager als gevolg van deze meldingen af te zetten van zijn werk, niet onredelijk.
Uit het dossier en de verklaringen ter zitting blijkt dat klager op de hoogte was van de meldingen en dat hij hierover steeds gezien en gehoord werd door de directie.
De klachtencommissie stelt vast dat er echter wel discussie bestaat over de in kennisstelling van de ontslagbeslissing. Volgens de directie werd klager hiervan door een directeur op 30 maart 2026 mondeling op de hoogte gebracht; volgens klager werd hij hiervan slechts op de hoogte gebracht toen een beambte de werkkledij kwam halen op zijn cel.
Zoals hoger vermeld, is er in voorliggend dossier geen sprake van een schriftelijk gemotiveerde ordemaatregel tot afzetting van werk. Dit betekent dat de ontslagbeslissing aldus niet werd genomen met inachtneming van bovengenoemde dienstnota. Doordat er geen schriftelijke ordemaatregel voorhanden is, kan de klachtencommissie niet vaststellen of, wanneer en op welke manier klager op de hoogte werd gesteld van de ontslagbeslissing. De klachtencommissie is van oordeel dat de loutere vermelding van de afzetting op het RAD niet volstaat om te spreken van “een schriftelijke gemotiveerde beslissing die de gedetineerde moet toelaten te begrijpen waarom hij niet langer als ‘geschikt’ wordt beschouwd”, zoals vereist door de dienstnota.
Om deze redenen is de klacht gegrond. De klachtencommissie beperkt zich tot het gegrond verklaren van de klacht, gezien klager intussen ander werk heeft. Aangezien de klachtencommissie niet van oordeel is dat de ontslagbeslissing op zichzelf onredelijk was, is er geen sprake van gevolgen die niet meer ongedaan kunnen worden gemaakt en kent zij verder ook geen tegemoetkoming toe.