KC02/26-0001
Non fondée
KC - Antwerpen
Commission des plaintes
Mesure de sécurité particulière
BIJZONDERE VEILIGHEIDSMAATREGEL - HOORPLICHT
De klacht is gericht tegen de bijzondere veiligheidsmaatregel.
De directie stelt dat klager met verschillende medegedetineerden in conflict komt. Ze is bezorgd dat klager zich inlaat in allerlei zaakjes met financiële gevolgen en dat klager zich op deze manier zodanig in de problemen werkt dat veel medegedetineerden heel boos op hem zijn waardoor hij fysiek gevaar loopt tijdens gemeenschappelijke activiteiten. Om deze redenen beslist de directie om klager uit te sluiten van de gemeenschappelijke activiteiten. Een bijzondere veiligheidsmaatregel dringt zich op, aldus directie, aangezien klager momenteel een groot risico loopt op fysieke afrekeningen. De maatregel is volgens haar noodzakelijk om klagers eigen veiligheid te vrijwaren, temeer daar klager in het verleden ook al veel gelijkaardige problemen met gelijkaardige gevolgen heeft veroorzaakt, aldus de directie.
De klachtencommissie is van oordeel dat aan de voorwaarden voor het opleggen van een BVM voldaan is en dat de directie een BVM kon opleggen. Zij heeft de verschillende elementen uiteengezet in de beslissing tot BVM en gemotiveerd waarom deze ernstige aanwijzingen vormen van een gevaar voor de orde en de veiligheid. Het is duidelijk dat de spanningen tussen klager en medegedetineerden hoog zijn opgelopen, en dat het daarom van belang was om klager af te zonderen. De klachtencommissie begrijpt dat de directie deze beslissing naar aanleiding van een patroon van gedragingen heeft genomen. De maatregel is proportioneel aan de bedreiging en van die aard om het gevaar voor de orde en de veiligheid te verhelpen, namelijk om ervoor te zorgen dat de veiligheid van klager wordt gewaarborgd. De directie heeft niet gehandeld met een repressief of bestraffend oogmerk. De BVM werd wel degelijk genomen vanuit veiligheidsoverwegingen.
Klager stelt dat hij niet werd gehoord voor de directie haar beslissing nam en dat zijn advocaat niet aanwezig mocht zijn bij het gesprek. Uit de Basiswet volgt dat de directie de gedetineerde in principe eerst hoort en daarna een beslissing neemt over het opleggen van de BVM.
De klachtencommissie stelt vast dat het verslag van het horen van de gedetineerde als volgt aanvangt: “Dag [klager], ik wil je even uitleggen waarom we deze BVM opleggen. […]”
Uit de verklaringen ter zitting van de klachtencommissie blijkt dat er in voorliggend dossier sprake was van een geval waarin de situatie van gevaar geen uitsluitsel duldde. De directie vreesde voor een escalatie van de situatie, waardoor zij zich genoodzaakt zag om meteen over te gaan tot het opleggen van een BVM. Klager werd diezelfde dag, zo spoedig mogelijk, gehoord, waardoor de klachtencommissie geen onwettigheid kan vaststellen op dit punt.
Klager beklaagt zich ten slotte over het feit dat hij tijdens de procedure geen bijstand kreeg van zijn advocaat. De Basiswet voorziet niet in de (verplichte of facultatieve) bijstand van een advocaat wanneer een geïnterneerde wordt gehoord in het kader van een BVM. Dit is dus niet onwettig, onredelijk of onbillijk.
De klacht is ongegrond.
De klacht is gericht tegen de bijzondere veiligheidsmaatregel.
De directie stelt dat klager met verschillende medegedetineerden in conflict komt. Ze is bezorgd dat klager zich inlaat in allerlei zaakjes met financiële gevolgen en dat klager zich op deze manier zodanig in de problemen werkt dat veel medegedetineerden heel boos op hem zijn waardoor hij fysiek gevaar loopt tijdens gemeenschappelijke activiteiten. Om deze redenen beslist de directie om klager uit te sluiten van de gemeenschappelijke activiteiten. Een bijzondere veiligheidsmaatregel dringt zich op, aldus directie, aangezien klager momenteel een groot risico loopt op fysieke afrekeningen. De maatregel is volgens haar noodzakelijk om klagers eigen veiligheid te vrijwaren, temeer daar klager in het verleden ook al veel gelijkaardige problemen met gelijkaardige gevolgen heeft veroorzaakt, aldus de directie.
De klachtencommissie is van oordeel dat aan de voorwaarden voor het opleggen van een BVM voldaan is en dat de directie een BVM kon opleggen. Zij heeft de verschillende elementen uiteengezet in de beslissing tot BVM en gemotiveerd waarom deze ernstige aanwijzingen vormen van een gevaar voor de orde en de veiligheid. Het is duidelijk dat de spanningen tussen klager en medegedetineerden hoog zijn opgelopen, en dat het daarom van belang was om klager af te zonderen. De klachtencommissie begrijpt dat de directie deze beslissing naar aanleiding van een patroon van gedragingen heeft genomen. De maatregel is proportioneel aan de bedreiging en van die aard om het gevaar voor de orde en de veiligheid te verhelpen, namelijk om ervoor te zorgen dat de veiligheid van klager wordt gewaarborgd. De directie heeft niet gehandeld met een repressief of bestraffend oogmerk. De BVM werd wel degelijk genomen vanuit veiligheidsoverwegingen.
Klager stelt dat hij niet werd gehoord voor de directie haar beslissing nam en dat zijn advocaat niet aanwezig mocht zijn bij het gesprek. Uit de Basiswet volgt dat de directie de gedetineerde in principe eerst hoort en daarna een beslissing neemt over het opleggen van de BVM.
De klachtencommissie stelt vast dat het verslag van het horen van de gedetineerde als volgt aanvangt: “Dag [klager], ik wil je even uitleggen waarom we deze BVM opleggen. […]”
Uit de verklaringen ter zitting van de klachtencommissie blijkt dat er in voorliggend dossier sprake was van een geval waarin de situatie van gevaar geen uitsluitsel duldde. De directie vreesde voor een escalatie van de situatie, waardoor zij zich genoodzaakt zag om meteen over te gaan tot het opleggen van een BVM. Klager werd diezelfde dag, zo spoedig mogelijk, gehoord, waardoor de klachtencommissie geen onwettigheid kan vaststellen op dit punt.
Klager beklaagt zich ten slotte over het feit dat hij tijdens de procedure geen bijstand kreeg van zijn advocaat. De Basiswet voorziet niet in de (verplichte of facultatieve) bijstand van een advocaat wanneer een geïnterneerde wordt gehoord in het kader van een BVM. Dit is dus niet onwettig, onredelijk of onbillijk.
De klacht is ongegrond.