Ga verder naar de inhoud

KC02/25-0239

Fondée KC - Antwerpen Commission des plaintes Disciplinaire
TUCHT - BEWIJS - TOEREKENBAARHEID - ZORGVULDIGHEIDSPLICHT - VERMOEDEN VAN ONSCHULD - SCHORSING

De klacht betreft een tuchtbeslissing van de directie van de gevangenis van Antwerpen.

De directie verwijst in haar tuchtbeslissing naar twee RAD's waarin wordt beschreven dat er op klagers cel, op verschillende plaatsen, verdachte vloeistof wordt aangetroffen. Hierin wordt expliciet verwezen naar de vindplaats van (een gedeelte van) de vloeistof, met name “het eerste bed links”, dat twee lattenbodems mist zodat de emmer zou passen. Volgens de directie betreft dit betreft het bed van klager.

Klager haalt tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting aan dat zijn bed links van het raam is. De directie gaat niet verder in op dit element en verklaart klager schuldig aan twee tuchtinbreuken, met name ‘het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties’ en ‘het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen’ .

Klager wordt gesanctioneerd met 20 dagen afzondering in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte (ATV).

Een gedetineerde kan alleen schuldig worden verklaard aan de hem ten laste gelegde tuchtrechtelijke inbreuk wanneer de directeur, op grond van al het bewijsmateriaal waarover hij beschikt, de ten laste gelegde feiten bewezen acht en de daarvoor ter verantwoording geroepen gedetineerde daaraan, schuldig acht. Bij de beoordeling van het bewezen zijn van de ten laste gelegde feiten, oefent de directeur een discretionaire bevoegdheid uit. Aangezien de tuchtregeling in de Basiswet geen bijzondere bewijswaardering voorschrijft, kan de directeur voor het bewijs steunen op materiële vaststellingen, bekentenissen, getuigenissen of vermoedens, zolang hij bij zijn beoordeling van het bewezen zijn van de ten laste gelegde feiten tot een conclusie komt die de grenzen van de redelijkheid niet te buiten gaan. In principe mag de directie voor het bewijs van bepaalde feiten steunen op een RAD, tenzij er tegenindicaties blijken of worden aangevoerd waardoor er twijfels zouden rijzen omtrent de waarachtigheid van dit RAD. De directeur moet deze tegenindicaties dan onderzoeken en beoordelen.

Gelet op de discretionaire beoordelingsbevoegdheid van de directeur, is de klachtencommissie enkel bevoegd om na te gaan of de feitenvinding zorgvuldig gebeurde, of er werd uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens en of de appreciatiebevoegdheid op een zorgvuldige wijze werd uitgeoefend.

De klachtencommissie stelt vast dat de directie klager schuldig acht aan de tuchtinbreuken op basis van het RAD waaruit blijkt dat een deel van de alcohol onder zijn bed zou zijn gevonden: het eerste bed links, waarvan twee latten uit de bodem misten zodat de emmer zou passen. Deze redenering werd gemaakt op basis van het RAD en een schets van de celindeling.

De klachtencommissie stelt vast dat klager tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting reeds betwistte dat dit bed het zijne was. Klager herhaalde dit argument tijdens de zitting van de klachtencommissie, waarop de directeur op vraag van de klachtencommissie aan de kwartierchef vroeg om ter plaatse na te gaan welk bed van klager was.

Uit deze vaststellingen bleek dat klager niet in het eerste bed links slaapt, maar wel in het achterste (of tweede) bed onderaan. De vaststellingen waarop de tuchtprocedure werd opgestart, blijken aldus niet te kloppen.

Zoals reeds aangehaald, kan de directie er redelijkerwijze van uitgaan dat een RAD een correcte weergave is van de feiten, tenzij er overtuigende elementen worden aangevoerd die twijfels zouden doen rijzen omtrent de waarachtigheid van dit RAD. De klachtencommissie meent dat klager, door er tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting op te wijzen dat hij in een ander bed slaapt, weldegelijk een overtuigend element heeft aangevoerd dat deed twijfelen aan de waarachtigheid van het RAD. Het kwam aan de directie toe om deze tegenindicatie te onderzoeken en te beoordelen.

Volgens de klachtencommissie deed de directie in het voorliggend dossier aan onzorgvuldige feitenvinding. De door klager aangebrachte tegenindicatie werd onvoldoende onderzocht, waardoor de directie bij het nemen van haar tuchtbeslissing niet is uitgegaan van de juiste feitelijk gegevens.

Om deze reden is de klacht gegrond. De klachtencommissie vernietigt de bestreden tuchtbeslissing en draagt de directie op om deze volledig te verwijderen uit het tuchtregister van klager.