Ga verder naar de inhoud

KC02/22-0107

Fondée KC - Antwerpen Commission des plaintes Disciplinaire
TUCHT - VERBODEN VOORWERPEN - VERMOEDEN VAN ONSCHULD - RECHT OP TEGENSPRAAK

Klager dient een klacht in tegen de tuchtbeslissing. Klager is het niet eens met de beslissing omdat de gsm die was gevonden op cel, niet van hem was. Zijn celgenoot heeft bekend maar alsnog kreeg hij een tuchtsanctie. Op de zitting verduidelijkt klager dat ze op het moment van de celcontrole met drie gedetineerden op cel zaten. Ze zijn allen gesanctioneerd voor het bezit van een gsm. De directie is van oordeel dat de inbreuk bewezen is en dat klager hieraan schuldig is omdat hij ongeloofwaardige en leugenachtige verklaringen heeft afgelegd. Volgens de directie is het “weinig waarschijnlijk dat klager niet op de hoogte was van de gsm, te meer omdat de cel waar ze verblijven een kleine ruimte betreft waar het zo goed als onmogelijk is om te bellen met een gsm zonder dat de andere bewoners dit zouden merken.”

De klachtencommissie, hierin gesteund door rechtspraak van de Franstalige Beroepscommissie en andere klachtencommissies, wenst echter te benadrukken dat het louter op de hoogte zijn van de aanwezigheid van verboden voorwerpen in zijn cel niet voldoende is om een tuchtinbreuk toe te rekenen aan een gedetineerde. Opdat sprake kan zijn van medeplichtigheid is immers een daad van medeplichtigheid vereist. Dit kan enkel het geval zijn wanneer klager de dader zou hebben geholpen in daden die de inbreuk hebben voorbereid, vergemakkelijkt of voltooid. Echter, de directeur verwijt klager net dat hij geen enkele actie ondernam. De directie is van oordeel dat klager door niet te handelen, het plegen van een tuchtrechtelijke inbreuk heeft vergemakkelijkt. De klachtencommissie is het hier niet mee eens. In de eerste plaats wijst de klachtencommissie op de internationale consensus die stelt dat gedetineerden niet verplicht kunnen worden om incidenten of tuchtinbreuken te melden waarbij andere gevangenen betrokken zijn. In de tweede plaats is medeplichtigheid door onthouding van enige handeling niet mogelijk.

Vervolgens verwijst de directie in de motivering van de tuchtbeslissing naar de belgeschiedenis van klager. Op de tuchthoorzitting werd klager voor het eerst geconfronteerd met de stelling van de directeur dat hij voor 30 september veel heeft gebeld en sinds 30 september niet meer. In de motivering van de tuchtbeslissing staat dat klager tot 30 september frequent belde en sinds 30 september veel minder. In de eerste plaats verklaarde klager op de zitting dat hij geen kopie heeft gekregen van de belgeschiedenis. Dit is nochtans vereist in het licht van het recht van verdediging. Het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging geldt ook in tuchtzaken en houdt in dat een tuchtsanctie pas kan worden opgelegd nadat de gedetineerde de gelegenheid heeft gekregen zich nuttig te verdedigen ten aanzien van de tegen hem ingebrachte beschuldigingen. Bovendien stelt de klachtencommissie vast dat de bewijswaarde van de belgeschiedenis geenszins relevant is bij de beoordeling van de huidige tuchtsanctie, aangezien de belgeschiedenis is nagegaan in de periode voor 30 september 2022 en na deze datum terwijl de celcontrole slechts plaatsvond op 25 oktober 2022.

Tenslotte verwijst de directie in de tuchtbeslissing naar leugenachtige verklaringen van klager. In de motivering van de tuchtbeslissing komt ter sprake dat klager zou gezegd hebben dat hij voor 30 september 2022 maar vijf keer gebruik maakte van de telefoon van de inrichting. De klachtencommissie kan deze verklaring van klager niet terugvinden in het verslag van de tuchthoorzitting, net zoals de passage dat klager zou hebben verklaard dat hij nog maar net op de cel zat, op basis waarvan de directie stelt dat klager geheel leugenachtige verklaringen aflegde.

Hoewel de klachtencommissie de directie kan volgen in de redenering dat de omstandigheid dat de oplader in de stekkerdoos zat op het moment van de celcontrole kan wijzen op een recent gebruik van de telefoon, meent de klachtencommissie dat de directie nalaat om de tuchtinbreuk individueel toe te rekenen aan klager of (één van) zijn celgenoten. Integendeel, alle celgenoten werden gesanctioneerd voor dezelfde inbreuk, hoewel één van de celgenoten heeft bekend dat de gsm van hem was. Indien de directie van oordeel zou zijn dat de verklaring van deze celgenoot zou zijn afgelegd onder druk van andere betrokkene(n), dient de directie hiervan het bewijs te leveren, zodat wordt aangetoond aan wie de gsm toebehoort of door wie het gsm-toestel wordt gebruikt. De klachtencommissie meent dat de zienswijze van de directie strijdig is met het verbod op collectieve straffen en dat de tuchtinbreuk bijgevolg niet individueel aan klager kon toegerekend worden. Om deze redenen is de klacht gegrond. De klachtencommissie vernietigt de tuchtbeslissing.