KC02/22-0027
Non fondée
KC - Antwerpen
Commission des plaintes
Disciplinaire
Mesure d'ordre
TUCHT - SANCTIE - MOTIVERING - ONTSLAG
Klager is het niet eens met de tuchtbeslissing waarbij hem 14 dagen verbod van deelname aan werk in gemeenschappelijk verband werd opgelegd. De directie oordeelt over het bewezen zijn van de feiten en dus over de vraag of de haar voorgelegde gegevens volstaan om de ten laste gelegde feiten voor bewezen te houden. De gedetineerde kan enkel schuldig worden verklaard voor de tuchtrechtelijke inbreuk wanneer de directeur de feiten bewezen acht én de daarvoor ter verantwoording geroepen gedetineerde daaraan schuldig acht. De Klachtencommissie ziet geen reden waarom de directie zich bij het nemen van de bestreden beslissing niet had mogen steunen op het RAD. De directie kon de feiten, zoals die duidelijk en uitdrukkelijk in het RAD werden beschreven, voor waar en als voldoende aannemen. De Klachtencommissie besluit dat de directie in redelijkheid en billijkheid kon besluiten tot het bewezen zijn van de tuchtinbreuken van tweede categorie, nl. het niet-naleven van de in het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen met betrekking tot de voorwerpen die in het bezit worden gesteld of gelaten van de gedetineerde.
Indien er een verband is met de aard of de omstandigheden van de tuchtrechtelijke inbreuk, kan een bijzondere tuchtsanctie worden opgelegd. Het verbod om deel te nemen aan werk in gemeenschappelijk verband is zo’n bijzondere tuchtsanctie die bepaald is in de Basiswet. De Klachtencommissie is van oordeel dat de tuchtsanctie wettig en redelijk is aangezien de inbreuk duidelijk verbonden is met de tewerkstelling in de kleedkamer. Klager was op de hoogte dat de gevangenis te kampen had met een tekort aan kleren terwijl er in zijn cel 8 wasmanden met kleren stonden. De klacht is ongegrond.
Zowel klager als de directeur hebben ter zitting bevestigd dat klager na afloop van de tuchtsanctie, opnieuw aan de slag kon in de kleedkamer. Bijgevolg is er geen sprake van afzetting van werk. De klacht is ongegrond.
Klager is het niet eens met de tuchtbeslissing waarbij hem 14 dagen verbod van deelname aan werk in gemeenschappelijk verband werd opgelegd. De directie oordeelt over het bewezen zijn van de feiten en dus over de vraag of de haar voorgelegde gegevens volstaan om de ten laste gelegde feiten voor bewezen te houden. De gedetineerde kan enkel schuldig worden verklaard voor de tuchtrechtelijke inbreuk wanneer de directeur de feiten bewezen acht én de daarvoor ter verantwoording geroepen gedetineerde daaraan schuldig acht. De Klachtencommissie ziet geen reden waarom de directie zich bij het nemen van de bestreden beslissing niet had mogen steunen op het RAD. De directie kon de feiten, zoals die duidelijk en uitdrukkelijk in het RAD werden beschreven, voor waar en als voldoende aannemen. De Klachtencommissie besluit dat de directie in redelijkheid en billijkheid kon besluiten tot het bewezen zijn van de tuchtinbreuken van tweede categorie, nl. het niet-naleven van de in het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen met betrekking tot de voorwerpen die in het bezit worden gesteld of gelaten van de gedetineerde.
Indien er een verband is met de aard of de omstandigheden van de tuchtrechtelijke inbreuk, kan een bijzondere tuchtsanctie worden opgelegd. Het verbod om deel te nemen aan werk in gemeenschappelijk verband is zo’n bijzondere tuchtsanctie die bepaald is in de Basiswet. De Klachtencommissie is van oordeel dat de tuchtsanctie wettig en redelijk is aangezien de inbreuk duidelijk verbonden is met de tewerkstelling in de kleedkamer. Klager was op de hoogte dat de gevangenis te kampen had met een tekort aan kleren terwijl er in zijn cel 8 wasmanden met kleren stonden. De klacht is ongegrond.
Zowel klager als de directeur hebben ter zitting bevestigd dat klager na afloop van de tuchtsanctie, opnieuw aan de slag kon in de kleedkamer. Bijgevolg is er geen sprake van afzetting van werk. De klacht is ongegrond.