Ga verder naar de inhoud

BC/26-0158

Beroepscommissie Commission d'Appel

TUCHT

Het inrichtingshoofd heeft beroep ingediend tegen de beslissing van de klachtencommissie waarbij klagers klacht tegen een tuchtbeslissing gedeeltelijk gegrond werd verklaard. Het gegrond verklaarde deel van de beslissing had betrekking op klagers schuldigverklaring aan een tuchtinbreuk van tweede categorie, met name het niet-naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen. De beroepscommissie wijst erop dat in de bestreden tuchtbeslissing niet uitdrukkelijk wordt vermeld welke bepaling(en) van het huishoudelijk reglement niet werden nageleefd, wat de voorkeur had verdiend en in dit dossier zelfs noodzakelijk was. Een formele motivering vereist niet noodzakelijk een vermelding van de precieze artikelen van de toegepaste regelgeving, maar dan moet de gedetineerde uit de beslissing wel met zekerheid kunnen afleiden om welke bepalingen het gaat. De beroepscommissie bevestigt dat uit de motivering van de tuchtbeslissing niet blijkt door welke feiten welke bepaling(en) uit het huishoudelijk reglement werden overtreden. Dit blijkt evenmin uit de andere stukken in het tuchtdossier. Klager – en bij uitbreiding ook de beklaginstanties – kon niet met zekerheid afleiden welke bepaling(en) van het huishoudelijk reglement hij om welke redenen heeft overtreden. Het beroep is ontvankelijk, maar niet gegrond.