Ga verder naar de inhoud

BC/26-0094

Fondée Beroepscommissie Commission d'Appel Régime de sécurité particulier individuel
INDIVIDUEEL BIJZONDER VEILIGHEIDSREGIME – HOORPLICHT

De beroepsindiener heeft beroep ingediend tegen de beslissing van de directrice-generaal tot hernieuwing van zijn individueel bijzonder veiligheidsregime. De beroepscommissie heeft in dit dossier een ambtshalve middel opgeworpen: “De beroepsindiener werd samen met zijn advocaat gehoord in het kader van de hernieuwing van het individueel bijzonder veiligheidsregime op 25 februari 2026, om 10u49. De directeur van Leuven Centraal vroeg diezelfde dag (25 februari 2026) aan de geneesheer-psychiater om een psycho-medisch verslag/medisch advies op te maken in de zin van artikel 118, § 7, derde lid Basiswet. De geneesheer-psychiater zag de beroepsindiener in dit kader op 26 februari 2026; het psycho-medisch verslag/medisch advies dateert van diezelfde dag (26 februari 2026). Hieruit leidt de beroepscommissie af dat de beroepsindiener en zijn advocaat op het hoormoment geen tegenspraak hebben kunnen voeren over het door de geneesheer-psychiater opgestelde psycho-medisch verslag/medisch advies. Uit de beschikbare informatie blijkt evenmin dat zij na het hoormoment nog in de gelegenheid werden gesteld om hun eventuele opmerkingen met betrekking tot dit psycho-medisch verslag/medisch advies of de impact ervan op het voorgestelde regime van de beroepsindiener uiteen te zetten”.

De beroepscommissie wijst erop dat de advocaat van de beroepsindiener op het hoormoment nadrukkelijk had gevraagd of er een verslag van de medische toestand van de beroepsindiener was opgemaakt. Er zaten ook minstens tien dagen tussen het hoormoment en de afloop van de periode van het voorheen geldende individueel bijzonder veiligheidsregime.

De beroepscommissie ziet niet in waarom het psycho-medisch verslag en medisch advies niet werden opgevraagd (en opgemaakt) voorafgaand aan het hoormoment, zodat de beroepsindiener en zijn advocaat hierover hun opmerkingen konden maken tijdens het hoormoment. Dit is nochtans de gebruikelijke werkwijze, aangezien het psycho-medisch verslag en medisch verslag een inherent en onlosmakelijk deel uitmaken van het voorstel van de directeur. De directeur moet de gedetineerde, desgewenst bijgestaan door een raadsman of vertrouwenspersoon, de gelegenheid geven om over dit voorstel – en dus ook over het psycho-medisch verslag en medisch advies, zijn verweermiddelen te laten gelden.

Evenmin werd dit procedurele euvel achteraf verholpen. Zo stelt de beroepscommissie vast dat er nog voldoende tijd was na de uiteindelijke opmaak van het psycho-medisch verslag en medisch advies om de beroepsindiener en zijn advocaat, desnoods schriftelijk, alsnog in de gelegenheid te stellen om hun eventuele opmerkingen te maken met betrekking tot dit psycho-medisch verslag en medisch advies. Dit blijkt niet te zijn gebeurd. Er is een miskenning van de hoorplicht. Het beroep is ontvankelijk en gegrond.