Ga verder naar de inhoud

BC/26-0079

Non fondée Beroepscommissie Commission d'Appel
WANDELING - STAKING - TEGEMOETKOMING

4.1 Over het beroep van het inrichtingshoofd

De beroepscommissie stelt vast dat de klachtencommissie de klacht in essentie ontvankelijk verklaarde, onder verwijzing naar de vaststaande rechtspraak van de Nederlandstalige beroepscommissie in gelijkaardige dossiers (BC/25-0153 tem- 0173 en BC/25-0198).

Het inrichtingshoofd verwijt de klachtencommissie dan ook ten onrechte dat ze niet zou hebben gemotiveerd waarom zij zich niet aansluit bij het arrest van de Franstalige Raad van State van 26 september 2024, nu de beroepscommissie daar in deze uitspraken uitgebreid is op ingegaan.
Hoewel het inrichtingshoofd van Leuven-Centraal -als betrokken partij- genoegzaam op de hoogte was van het principiële standpunt van de beroepscommissie in haar uitspraken van 16 juli resp. 17 oktober 2025 (BC/25-0153 tem- 0173 en BC/25-0198), blijft zij desondanks zelf zonder meer verwijzen naar de alleenstaande uitspraak van de Franstalige Raad van State van 26 september 2024 en de daaraan intussen conformerende rechtspraak van de Franstalige beroepscommissie.

Het inrichtingshoofd van Leuven-Centraal berustte nochtans ogenschijnlijk in deze uitspraken van de beroepscommissie, daar zij geen cassatieberoep instelde bij de (Nederlandstalige) Raad van State.

Voor de goede orde merkt de beroepscommissie op dat tegen een andere, gelijkaardige uitspraak van 17 oktober 2025 (BC/25-0135) wel een cassatieberoep werd ingesteld door het inrichtingshoofd van de PI Hasselt.

De Nederlandstalige Raad van State deed echter op heden nog geen uitspraak in het dossier, zodat de beroepscommissie thans integraal blijft verwijzen naar hetgeen zij heeft uiteengezet in haar eerdere principe uitspraken.

De Nederlandstalige beroepscommissie is overigens niet gebonden door het feit dat de Franstalige beroepscommissie intussen haar eerder ingenomen standpunt herzag en aanneemt dat dergelijke klachten onontvankelijk zijn, nu haar overwegingen niet volledig overeenkomen:

“Deze overwegingen werden niet in dezelfde mate aan de Franstalige kamer van de Raad van State voorgelegd, nu in de gecasseerde uitspraak van de Franstalige beroepscommissie slechts in beperkte mate werd ingegaan op de invloed van de Nederlandse beklagrechtspraak
(…)
Om al deze redenen sluit de beroepscommissie zich thans niet aan bij de strikte interpretatie die de Franstalige kamer van de Raad van State in het door beroepsindiener aangehaalde arrest geeft aan artikel 148 van de basiswet.”

In afwachting van de beslechting van dit rechtspunt door de Nederlandstalige Raad van State, oordeelt de beroepscommissie dat de klachtencommissie de klacht dan ook terecht ontvankelijk verklaarde onder verwijzing naar deze rechtspraak van de beroepscommissie.

4.1 Over het beroep van klager

De beroepscommissie stelt vooreerst vast dat klager er in zijn initiële klacht op wees dat hem als tegemoetkoming geen gemeenschappelijke wandeling kan worden gegeven, “daarom vraag ik belwaarde zodat ik toch nog een uur kan praten tijdens mijn ingebeelde wandeling”.

De klachtencommissie motiveerde in haar uitspraak niet uitdrukkelijk waarom zij slechts 15 belminuten als tegemoetkoming bepaalde.

Nochtans voerde de directie in het kader van dit dossier geen betwisting omtrent de door klager gevraagde compensatie.

De klachtencommissie wijst er wel op dat zij de compensatie bepaalde ‘in overeenstemming met haar eerdere rechtspraak’. In de eerdere rechtspraak was evenwel sprake van een individuele wandeling als compensatie, zoals de klager aanvoert in zijn klacht.

De behandeling van een door het inrichtingshoofd later ingestelde (collectief) beroep (BC/26-0061 tem 0070) aangaande een ander dossier van klager, leert de beroepscommissie wel dat de klachtencommissie uniformiteit tracht te garanderen in vergelijking met andere gedetineerden. Zo worden telkens 15 belminuten toegekend per stakingsdag.

Hoewel de beroepscommissie begrijpt dat de klachtencommissie vanuit de bekommernis van rechtszekerheid en uniformiteit dezelfde tegemoetkoming oplegde voor meerdere gedetineerden, ontslaat dat haar niet om in te gaan op de concrete vraag van klager voor een hogere compensatie.

Er is volgens de beroepscommissie voorts geen redelijke verklaring waarom de klachtencommissie opteert voor 15 minuten als standaard in plaats van 60 minuten, nu zoals klager aanvoert, inderdaad 60 minuten wandeling werden ontnomen.

Bij de beoordeling van de vraag welke tegemoetkoming moet worden toegekend, moet in het bijzonder zoveel als mogelijk worden gestreefd naar een tegemoetkoming die op een passende wijze erkenning inhoudt van het nadeel dat de klager heeft ondergaan.

De beroepscommissie verklaart het beroep dan ook gegrond en hervormt de tegemoetkoming naar een belkrediet van 60 minuten, hetgeen de beroepscommissie passend voorkomt rekening houdend met het feit dat klager 60 minuten buitenlucht werd ontnomen.

Het (opnieuw) horen van het inrichtingshoofd over deze tegemoetkoming is zonder voorwerp, nu het inrichtingshoofd zich beperkte tot de opmerking ‘negatief advies voor de gevraagde compensatie’.

Overigens wordt dergelijke tegemoetkoming op louter administratieve wijze door de penitentiaire administratie verwerkt, zodat het (opnieuw) horen van het inrichtingshoofd over deze tegemoetkoming in ieder geval zonder voorwerp is.