ONGESTOORD BEZOEK - INTRAFAMILIAAL GEWELD
Klager is het oneens met de uitspraak van de klachtencommissie en acht zijn recht op privé- en gezinsleven geschonden door deze tweede weigering van zijn aanvraag ongestoord bezoek met zijn partner.
Hoewel het niet de bedoeling kan zijn daders van intra-familiaal geweld automatisch en definitief uit te sluiten van het recht op ongestoord bezoek, kon de directie binnen haar discretionaire bevoegdheid oordelen dat het in de huidige stand nog te vroeg was om een ongestoord bezoek toe te kennen.
Er is sprake van een recente aanhouding en veroordeling, die maakt dat het niet willekeurig of onredelijk is dat er eerst een langere periode van positief detentiegedrag wordt afgewacht.
De klachtencommissie hechtte in haar overwegingen dan ook terecht een doorslaggevend belang aan het recente karakter van de veroordeling.
In de mate dat het inrichtingshoofd in haar verweer suggereert dat “de persoonlijkheid” van de klager gelet op zijn veroordeling voor partnergeweld per definitie “een contra-indicatie vormt voor de toekenning van het ongestoord bezoek”, wijst de beroepscommissie er evenwel op dat dergelijke interpretatie van het artikel 59 §1, 3° van de basiswet ingaat tegen het “tijdelijke” karakter van de weigering van ongestoord bezoek. Hier anders over oordelen zou er op neerkomen dat daders van partnergeweld de facto voor onbepaalde tijd worden uitgesloten van ongestoord bezoek, hetgeen niet voorzien is in de basiswet als specifieke weigeringsgrond.
Hoewel de kennis van dergelijke veroordeling van ernstig intrafamilaal geweld de directie terecht dwingt de nodige voorzichtigheid en terughoudendheid aan de dag te leggen, hoort de directie tevens rekening te houden met het positieve detentiegedrag van klager.
De beroepscommissie benadrukt dan ook dat naarmate de tijd vordert en de regelmatige tafelbezoeken met de partner incidentloos blijven verlopen, de mogelijkheid van ongestoord bezoek geherevalueerd moet kunnen worden, voor zover de partner nog steeds vragende partij blijkt voor deze bezoeken.
Klager is het oneens met de uitspraak van de klachtencommissie en acht zijn recht op privé- en gezinsleven geschonden door deze tweede weigering van zijn aanvraag ongestoord bezoek met zijn partner.
Hoewel het niet de bedoeling kan zijn daders van intra-familiaal geweld automatisch en definitief uit te sluiten van het recht op ongestoord bezoek, kon de directie binnen haar discretionaire bevoegdheid oordelen dat het in de huidige stand nog te vroeg was om een ongestoord bezoek toe te kennen.
Er is sprake van een recente aanhouding en veroordeling, die maakt dat het niet willekeurig of onredelijk is dat er eerst een langere periode van positief detentiegedrag wordt afgewacht.
De klachtencommissie hechtte in haar overwegingen dan ook terecht een doorslaggevend belang aan het recente karakter van de veroordeling.
In de mate dat het inrichtingshoofd in haar verweer suggereert dat “de persoonlijkheid” van de klager gelet op zijn veroordeling voor partnergeweld per definitie “een contra-indicatie vormt voor de toekenning van het ongestoord bezoek”, wijst de beroepscommissie er evenwel op dat dergelijke interpretatie van het artikel 59 §1, 3° van de basiswet ingaat tegen het “tijdelijke” karakter van de weigering van ongestoord bezoek. Hier anders over oordelen zou er op neerkomen dat daders van partnergeweld de facto voor onbepaalde tijd worden uitgesloten van ongestoord bezoek, hetgeen niet voorzien is in de basiswet als specifieke weigeringsgrond.
Hoewel de kennis van dergelijke veroordeling van ernstig intrafamilaal geweld de directie terecht dwingt de nodige voorzichtigheid en terughoudendheid aan de dag te leggen, hoort de directie tevens rekening te houden met het positieve detentiegedrag van klager.
De beroepscommissie benadrukt dan ook dat naarmate de tijd vordert en de regelmatige tafelbezoeken met de partner incidentloos blijven verlopen, de mogelijkheid van ongestoord bezoek geherevalueerd moet kunnen worden, voor zover de partner nog steeds vragende partij blijkt voor deze bezoeken.