Ga verder naar de inhoud

BC/26-0003

Fondée Beroepscommissie Commission d'Appel Autre décision directeur
ONTSLAG – HOORPLICHT

Het inrichtingshoofd heeft beroep ingediend tegen de beslissing van de klachtencommissie waarbij een klacht van klager tegen de afzetting van zijn werk ontvankelijk en gegrond werd verklaard. De klachtencommissie oordeelde dat er een schending van de hoorplicht was, aangezien niet bleek dat klager voorafgaand aan de beslissing was gehoord over zijn eventueel ontslag. De beroepscommissie ziet dit anders. Zij wijst erop dat het inrichtingshoofd terecht niet ter discussie stelt dat de hoorplicht van toepassing is wanneer de directie overweegt om een ontslagbeslissing te nemen. In zijn beroepschrift betwist het inrichtingshoofd echter dat klager niet zou zijn gehoord. De beroepscommissie merkt enerzijds op dat de loutere vermelding ‘gezien op’ (zoals in de ontslagbeslissing staat) nog niet impliceert dat een gedetineerde daadwerkelijk werd gehoord. Evenmin worden in die beslissing de zaken vermeld die klager op dit hoormoment zou hebben verklaard. Anderzijds is de directeur al van in het begin van de klachtenprocedure formeel dat klager wel degelijk werd gehoord. Op basis van alle informatie en in het bijzonder de formele bevestiging van de directie dat klager wel degelijk werd gehoord, het feit dat de directie in haar verweer (en dus in tempore non suspecto, want klager had hierover niets opgemerkt in zijn initiële klacht) reeds bevestigde dat ‘alle partijen werden gehoord’ en het ontbreken van aannemelijke informatie dat klager in realiteit niet zou zijn gehoord vooraleer de beslissing werd genomen, besluit de beroepscommissie dat er geen schending was van de hoorplicht. Het beroep is ontvankelijk en gegrond.