OVERPLAATSING
De beroepsindiener verblijft sinds juni 2024 in de gevangenis; sinds 27 mei 2025 is hij opgesloten in de gevangenis van Wortel. Zijn strafeinde is voorzien op 9 juni 2026. De beroepsindiener wenst een overplaatsing naar het detentiehuis van Vorst.
De initiële weigeringsbeslissing van de DDB tot overplaatsing van de beroepsindiener naar het detentiehuis te Vorst was gebaseerd op het feit dat hij niet aan de voorwaarden voor zo een plaatsing voldoet. Hij werd veroordeeld tot zeven jaar gevangenisstraf wegens verkrachting van een minderjarige. De beroepsindiener heeft deze straf echter al volledig ondergaan. Zijn huidige detentie is voor feiten van diefstal. In de beslissing vermeldt de DDB verder dat de beroepsindiener de Servische nationaliteit heeft en hij geen recht op verblijf in België heeft. In haar beslissing over het bezwaarschrift heeft de directrice-generaal daarnaast aangevuld dat het niet beschikken over een recht op verblijf in België geen uitsluitingscriterium is, maar er bij de ‘toestand DVZ’ van de beroepsindiener vermeld staat: “MB terugwijzing / KB uitzetting”. Hierdoor voldoet de beroepsindiener volgens de directrice-generaal niet aan de deelnemingscriteria.
De beroepscommissie kan in het midden laten of de voorgaande veroordeling van de beroepsindiener (wegens zedenfeiten) terecht zijn uitsluiting voor een plaatsing in het detentiehuis met zich kon meebrengen. De beroepsindiener heeft deze veroordeling volledig ondergaan; zijn huidige detentie is niet wegens zedenfeiten. De beroepscommissie neemt akte van het feit dat de penitentiaire administratie dit argument in overweging zal nemen.
De beroepscommissie wijst er immers op dat uit de beschikbare informatie blijkt dat er ten aanzien van de beroepsindiener een MB tot terugwijzing of een KB tot uitzetting geldt. De beroepscommissie bevestigt dat de directrice-generaal kan uitgaan van de juistheid van deze informatie en het aan DVZ toekomt om deze informatie te actualiseren. De advocaat van de beroepsindiener werpt in het beroepschrift op dat de beroepsindiener staatloos is, doch voegt daarvan geen stukken. De directrice-generaal – en bij uitbreiding de beroepscommissie – kunnen er dan ook vanuit gaan dat de in Sidis Suite vermelde informatie (“MB terugwijzing / KB uitzetting”) correct is.
De beroepscommissie wijst erop dat het ‘geen recht hebben op verblijf’ op zichzelf genomen, op basis van de geldende onderrichtingen, geen uitsluitingscriterium is voor een plaatsing in een detentiehuis. Enkel indien er een uitwijzingsbeslissing van kracht is, wordt de veroordeelde in ieder geval uitgesloten van een verblijf in een detentiehuis. De beroepsindiener voldoet omwille van deze redenen niet aan de criteria voor een verblijf in het detentiehuis. Dat de directrice-generaal (ook) omwille hiervan de overplaatsing van de beroepsindiener naar het detentiehuis te Vorst heeft geweigerd, acht de beroepscommissie niet onwettig, onredelijk of onbillijk.
Het beroep is niet gegrond.
De beroepsindiener verblijft sinds juni 2024 in de gevangenis; sinds 27 mei 2025 is hij opgesloten in de gevangenis van Wortel. Zijn strafeinde is voorzien op 9 juni 2026. De beroepsindiener wenst een overplaatsing naar het detentiehuis van Vorst.
De initiële weigeringsbeslissing van de DDB tot overplaatsing van de beroepsindiener naar het detentiehuis te Vorst was gebaseerd op het feit dat hij niet aan de voorwaarden voor zo een plaatsing voldoet. Hij werd veroordeeld tot zeven jaar gevangenisstraf wegens verkrachting van een minderjarige. De beroepsindiener heeft deze straf echter al volledig ondergaan. Zijn huidige detentie is voor feiten van diefstal. In de beslissing vermeldt de DDB verder dat de beroepsindiener de Servische nationaliteit heeft en hij geen recht op verblijf in België heeft. In haar beslissing over het bezwaarschrift heeft de directrice-generaal daarnaast aangevuld dat het niet beschikken over een recht op verblijf in België geen uitsluitingscriterium is, maar er bij de ‘toestand DVZ’ van de beroepsindiener vermeld staat: “MB terugwijzing / KB uitzetting”. Hierdoor voldoet de beroepsindiener volgens de directrice-generaal niet aan de deelnemingscriteria.
De beroepscommissie kan in het midden laten of de voorgaande veroordeling van de beroepsindiener (wegens zedenfeiten) terecht zijn uitsluiting voor een plaatsing in het detentiehuis met zich kon meebrengen. De beroepsindiener heeft deze veroordeling volledig ondergaan; zijn huidige detentie is niet wegens zedenfeiten. De beroepscommissie neemt akte van het feit dat de penitentiaire administratie dit argument in overweging zal nemen.
De beroepscommissie wijst er immers op dat uit de beschikbare informatie blijkt dat er ten aanzien van de beroepsindiener een MB tot terugwijzing of een KB tot uitzetting geldt. De beroepscommissie bevestigt dat de directrice-generaal kan uitgaan van de juistheid van deze informatie en het aan DVZ toekomt om deze informatie te actualiseren. De advocaat van de beroepsindiener werpt in het beroepschrift op dat de beroepsindiener staatloos is, doch voegt daarvan geen stukken. De directrice-generaal – en bij uitbreiding de beroepscommissie – kunnen er dan ook vanuit gaan dat de in Sidis Suite vermelde informatie (“MB terugwijzing / KB uitzetting”) correct is.
De beroepscommissie wijst erop dat het ‘geen recht hebben op verblijf’ op zichzelf genomen, op basis van de geldende onderrichtingen, geen uitsluitingscriterium is voor een plaatsing in een detentiehuis. Enkel indien er een uitwijzingsbeslissing van kracht is, wordt de veroordeelde in ieder geval uitgesloten van een verblijf in een detentiehuis. De beroepsindiener voldoet omwille van deze redenen niet aan de criteria voor een verblijf in het detentiehuis. Dat de directrice-generaal (ook) omwille hiervan de overplaatsing van de beroepsindiener naar het detentiehuis te Vorst heeft geweigerd, acht de beroepscommissie niet onwettig, onredelijk of onbillijk.
Het beroep is niet gegrond.