BC/25-0204
Non fondée
Beroepscommissie
Commission d'Appel
Autre décision directeur
ONTVANKELIJKHEID
De klachtencommissie verklaarde drie klachten van klager kennelijk onontvankelijk. Klager doet in zijn beroepschrift expliciet afstand van de tweede klacht.
Wat betreft de eerste klacht oordeelde de klachtencommissie in essentie dat klager heeft nagelaten om te specifiëren over welke stakingsdag zijn klacht handelde, zodat zij ‘de feitelijke omstandigheden of de aard van de staking (al dan niet spontaan, de duur etc.) niet kon nagaan’.
Van de klager kan inderdaad worden verwacht dat hij de redenen van zijn klacht zo nauwkeurig mogelijk vermeld (artikel 150 §2 van de basiswet).
De beroepscommissie stelt zoals de klachtencommissie vast dat klager zich hoogstens op algemene wijze beklaagt over de gang van zaken en regimebeperkingen op stakingsdagen in de PI Leuven-Centraal. De tweede klacht werd dan ook terecht onontvankelijk verklaard.
Thans verduidelijkt klager in zijn beroepschrift dat zijn klacht wel degelijk handelde over de staking van 28 maart 2025, aldus dezelfde dag dat hij de klacht indiende.
Echter nam de beroepscommissie in het hiermee samenhangende dossier BC/25-0203 ook kennis van een latere klacht die beroepsindiener indiende (op 29 april 2025) en waarin hij voor het eerst - zij het te laat- uitdrukkelijk de staking van 28 maart 2025 viseert.
De derde klacht betrof dan weer het feit dat klager nog geen uitspraak ontving van de klachtencommissie in een openstaand klachtendossier. De klachtencommissie wees er terecht op dat deze klacht aldus niet handelt over een beslissing door of namens de directeur, zodat ook deze klacht onontvankelijk is.
Louter ten overvloede wees de klachtencommissie erop dat de klacht intussen werd behandeld en betekend. In zijn beroepschrift voert klager aan dat dit niet het geval is.
De mogelijke vergissing van de klachtencommissie hieromtrent, doet echter niets af aan het oordeel dat de derde klacht terecht onontvankelijk werd verklaard.
Het beroep is dan ook ongegrond.
De klachtencommissie verklaarde drie klachten van klager kennelijk onontvankelijk. Klager doet in zijn beroepschrift expliciet afstand van de tweede klacht.
Wat betreft de eerste klacht oordeelde de klachtencommissie in essentie dat klager heeft nagelaten om te specifiëren over welke stakingsdag zijn klacht handelde, zodat zij ‘de feitelijke omstandigheden of de aard van de staking (al dan niet spontaan, de duur etc.) niet kon nagaan’.
Van de klager kan inderdaad worden verwacht dat hij de redenen van zijn klacht zo nauwkeurig mogelijk vermeld (artikel 150 §2 van de basiswet).
De beroepscommissie stelt zoals de klachtencommissie vast dat klager zich hoogstens op algemene wijze beklaagt over de gang van zaken en regimebeperkingen op stakingsdagen in de PI Leuven-Centraal. De tweede klacht werd dan ook terecht onontvankelijk verklaard.
Thans verduidelijkt klager in zijn beroepschrift dat zijn klacht wel degelijk handelde over de staking van 28 maart 2025, aldus dezelfde dag dat hij de klacht indiende.
Echter nam de beroepscommissie in het hiermee samenhangende dossier BC/25-0203 ook kennis van een latere klacht die beroepsindiener indiende (op 29 april 2025) en waarin hij voor het eerst - zij het te laat- uitdrukkelijk de staking van 28 maart 2025 viseert.
De derde klacht betrof dan weer het feit dat klager nog geen uitspraak ontving van de klachtencommissie in een openstaand klachtendossier. De klachtencommissie wees er terecht op dat deze klacht aldus niet handelt over een beslissing door of namens de directeur, zodat ook deze klacht onontvankelijk is.
Louter ten overvloede wees de klachtencommissie erop dat de klacht intussen werd behandeld en betekend. In zijn beroepschrift voert klager aan dat dit niet het geval is.
De mogelijke vergissing van de klachtencommissie hieromtrent, doet echter niets af aan het oordeel dat de derde klacht terecht onontvankelijk werd verklaard.
Het beroep is dan ook ongegrond.