Ga verder naar de inhoud

BC/25-0135

Non fondée Beroepscommissie Commission d'Appel Autre décision directeur
WANDELING - STAKING - ONTVANKELIJKHEID

De klacht gaat over het feit dat klager op 27 januari 2025 tijdens een staking in de gevangenis van Hasselt , geen uur in de buitenlucht heeft mogen vertoeven en geen bezoek kon ontvangen.

Het inrichtingshoofd verwijst in haar beroepschrift naar een uitspraak van de Franstalige Raad van State, die de Franstalige beroepscommissie op 26 september 2024 casseerde wat betreft haar oordeel omtrent de ontvankelijkheid van een gelijkaardige klacht.

De beroepscommissie verwees in haar principe uitspraak van 22 januari 2024 weliswaar terloops naar de thans teruggefloten rechtspraak van haar Franstalige evenknie , doch verwees in het bijzonder en bijkomend naar (meer recente) rechtspraak van de Nederlandse Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (hierna ‘RSJ’) en de zorgplicht.
Deze overwegingen werden niet in dezelfde mate aan de Franstalige kamer van de Raad van State voorgelegd en de beroepscommissie wijst er daarnaast op dat het vooralsnog alleenstaande arrest kritisch werd onthaald.

In artikel 17, 4° van de wet van 23 maart 2019 wordt benadrukt dat het recht op buitenlucht uit artikel 79 §1 van de basiswet ook tijdens stakingen moet worden gegarandeerd. De concrete organisatie van de minimale dienstverlening werd dan weer uitgewerkt in de (onuitgegeven) ministeriële omzendbrief nr. 1819 van 24 februari 2020. Daarin wordt gewezen op de verantwoordelijkheid van de directeur overeenkomstig artikel 16 van dezelfde wet, om de noodzakelijke maatregelen te nemen.

De beroepscommissie is van oordeel dat deze maatregelen ook ‘ten aanzien van de gedetineerde’ werden genomen in de zin van artikel 148 van de basiswet, waarbij dient te worden benadrukt dat overeenkomstig het tweede lid van dit artikel “met een in het eerste lid bedoelde beslissing wordt gelijkgesteld het verzuim of de weigering een beslissing te nemen binnen een wettelijke termijn, of bij het ontbreken ervan, binnen een redelijke termijn.”.

Een ander oordeel leiden tot een fragmentatie van de rechtsmiddelen en rechtsonzekerheid in hoofde van de gedetineerde, terwijl de wetgever juist voor ogen had dat de gedetineerde zijn grondrechten zo laagdrempelig mogelijk kan verdedigen.

Een ruimere interpretatie van artikel 148 van de basiswet - aldus anders dan het inrichtingshoofd- sluit inderdaad aan bij de bedoeling van de wetgever om een ‘laagdrempelig beklagrecht voor een onafhankelijke instantie die bijzonder vertrouwd is met de penitentiaire praxis’ te installeren , naar het voorbeeld van het Nederlandse model , dat intussen (inter)nationaal gelauwerd wordt om zijn effectiviteit.

! Er werd een cassatieberoep ingediend tegen deze uitspraak bij de Raad van State !