BC/25-0082
Non fondée
Beroepscommissie
Commission d'Appel
Mesure provisoire
Disciplinaire
RECHT VAN VERDEDIGING - BIJSTAND ADVOCAAT - TUCHT
Artikel 144 § 4 van de Basiswet bepaalt dat de gedetineerde tijdens de tuchtprocedure recht heeft op bijstand van een advocaat. Dit is een essentieel rechtsbeginsel, dat ook in de praktijk mogelijk gemaakt moet worden. Van zodra de directie klager op 31 december 2024 meedeelde dat ze een tuchtprocedure zou opstarten, heeft klager aangegeven dat hij wenste te worden bijgestaan door zijn eigen advocaat, mr. De Schrijver. Diezelfde dag heeft men een uitnodiging verstuurd voor de zitting van 3 januari 2025 naar de gekozen advocaat, waarop men geen reactie heeft ontvangen.
Hoewel uit het dossier blijkt dat de directie inderdaad de opgegeven advocaat behoorlijk en tijdig had opgeroepen, diende zij zich te verzekeren van het feit dat een gedetineerde ondubbelzinnig afstand deed van zijn fundamenteel bijstandsrecht. De klachtencommissie oordeelde, volgens de beroepscommissie terecht, dat klager net absoluut geen afstand deed van zijn fundamenteel bijstandsrecht aangezien hij verklaarde niet te willen worden gehoord zonder de aanwezigheid van zijn advocaat. Het feit dat een pro-Deoadvocaat toevallig aanwezig was, kan niet worden aangemerkt als een voldoende waarborg van het fundamentele recht van verdediging van klager.
Bovendien had de directie een eenmalig uitstel kunnen verlenen zonder de wettelijke termijn voor het horen van de gedetineerde te overschrijden. Op het moment van de geplande tuchtrechtelijke hoorzitting zou de termijn van 72 uur – na het in werking treden van klagers voorlopige maatregel op 30 december om 10u – in ieder geval reeds verstreken zijn. Feitelijk gezien bleek er aldus geen sprake van een situatie waarin klager met urgentie binnen 72 uur gehoord moest worden aangezien de hoorzitting pas gepland stond op 3 januari. Niets verhinderde de directie om de hoorzitting kort uit te stellen en klager alsnog in de gelegenheid te stellen zijn eigen advocaat te raadplegen. Dit had eveneens kunnen gebeuren binnen de vereiste termijn van zeven dagen na overhandiging van het formulier (op 31 december 2024) waarbij klager in kennis werd gesteld dat een tuchtprocedure werd opgestart, conform artikel 144, §5 van de Basiswet. Indien klagers advocaat vervolgens alsnog niet zou hebben gereageerd, hoefde de directie geen verder uitstel toe te staan.
Hoewel de reden van de afwezigheid van de opgegeven advocaat noch bij de directie lag, noch bij de gedetineerde zelf, blijkt uit het dossier geen ondubbelzinnige afstand van het recht op bijstand. De beroepscommissie acht het daarom onredelijk dat de directie geen eenmalig uitstel heeft verleend om de bijstand van klagers eigen advocaat alsnog mogelijk te maken. De beroepscommissie bevestigt de beslissing van de klachtencommissie dat er sprake was van een schending van het fundamentele recht op bijstand van klager.
Het beroep is ongegrond.
Artikel 144 § 4 van de Basiswet bepaalt dat de gedetineerde tijdens de tuchtprocedure recht heeft op bijstand van een advocaat. Dit is een essentieel rechtsbeginsel, dat ook in de praktijk mogelijk gemaakt moet worden. Van zodra de directie klager op 31 december 2024 meedeelde dat ze een tuchtprocedure zou opstarten, heeft klager aangegeven dat hij wenste te worden bijgestaan door zijn eigen advocaat, mr. De Schrijver. Diezelfde dag heeft men een uitnodiging verstuurd voor de zitting van 3 januari 2025 naar de gekozen advocaat, waarop men geen reactie heeft ontvangen.
Hoewel uit het dossier blijkt dat de directie inderdaad de opgegeven advocaat behoorlijk en tijdig had opgeroepen, diende zij zich te verzekeren van het feit dat een gedetineerde ondubbelzinnig afstand deed van zijn fundamenteel bijstandsrecht. De klachtencommissie oordeelde, volgens de beroepscommissie terecht, dat klager net absoluut geen afstand deed van zijn fundamenteel bijstandsrecht aangezien hij verklaarde niet te willen worden gehoord zonder de aanwezigheid van zijn advocaat. Het feit dat een pro-Deoadvocaat toevallig aanwezig was, kan niet worden aangemerkt als een voldoende waarborg van het fundamentele recht van verdediging van klager.
Bovendien had de directie een eenmalig uitstel kunnen verlenen zonder de wettelijke termijn voor het horen van de gedetineerde te overschrijden. Op het moment van de geplande tuchtrechtelijke hoorzitting zou de termijn van 72 uur – na het in werking treden van klagers voorlopige maatregel op 30 december om 10u – in ieder geval reeds verstreken zijn. Feitelijk gezien bleek er aldus geen sprake van een situatie waarin klager met urgentie binnen 72 uur gehoord moest worden aangezien de hoorzitting pas gepland stond op 3 januari. Niets verhinderde de directie om de hoorzitting kort uit te stellen en klager alsnog in de gelegenheid te stellen zijn eigen advocaat te raadplegen. Dit had eveneens kunnen gebeuren binnen de vereiste termijn van zeven dagen na overhandiging van het formulier (op 31 december 2024) waarbij klager in kennis werd gesteld dat een tuchtprocedure werd opgestart, conform artikel 144, §5 van de Basiswet. Indien klagers advocaat vervolgens alsnog niet zou hebben gereageerd, hoefde de directie geen verder uitstel toe te staan.
Hoewel de reden van de afwezigheid van de opgegeven advocaat noch bij de directie lag, noch bij de gedetineerde zelf, blijkt uit het dossier geen ondubbelzinnige afstand van het recht op bijstand. De beroepscommissie acht het daarom onredelijk dat de directie geen eenmalig uitstel heeft verleend om de bijstand van klagers eigen advocaat alsnog mogelijk te maken. De beroepscommissie bevestigt de beslissing van de klachtencommissie dat er sprake was van een schending van het fundamentele recht op bijstand van klager.
Het beroep is ongegrond.