Ga verder naar de inhoud

BC/24-0453

Non fondée Beroepscommissie Commission d'Appel Disciplinaire
TUCHT - SANCTIE - SAMENLOOP

Geen wettelijke bepaling voorziet in een regeling van schorsing of uitstel van de tenuitvoerlegging van een eerder uitgesproken tuchtstraf (in deze zaak de tuchtstraf van één week individuele wandeling) als de uitvoering van deze tuchtstraf feitelijk zonder voorwerp wordt door de uitvoering van een later opgelegde tuchtstraf (in deze zaak de tuchtsanctie ATV die de duur van de voorlopige maatregel omvat). Er is, anders gezegd, geen uitdrukkelijke wettelijke bepaling die schorsing of uitstel van de tenuitvoerlegging toelaat (zoals de klachtencommissie besluit), noch verbiedt (zoals het inrichtingshoofd beklemtoont).
Uit de samenhang van diverse bepalingen van de basiswet (artikelen 139, 142, 143, § 2, § 3 en § 4) blijkt wel dat de gecumuleerde toepassing van tuchtsancties aan veel beperkingen is onderworpen en dat, indien die gecumuleerde toepassing mogelijk is, zij het voorwerp moet uitmaken van een uitdrukkelijke en gemotiveerde beslissing van de directie. De omvang van de tuchtrechtelijke sanctionering moet dan ook uit de tuchtbeslissing zelf blijken.
Ook vanuit het oogpunt van de rechtszekerheid moet het voor de tuchtrechtelijk bestrafte gedetineerde op basis van de tuchtbeslissing duidelijk zijn vanaf wanneer tot wanneer welke tuchtsanctie loopt. De wijze waarop tuchtsancties in de praktijk worden uitgesproken, beantwoordt hieraan. Tuchtsancties worden niet louter voor een bepaald aantal dagen opgelegd – zonder precisering van de periode waarin die sanctie zal worden uitgevoerd, zodat het de directie vrij staat nader te bepalen vanaf wanneer tot wanneer de sanctie zal lopen –, maar worden inderdaad opgelegd voor een welbepaalde periode. In het geval waarin het mogelijk is dat aan de gedetineerde een tweede tuchtsanctie wordt opgelegd die moet volgen op de uitvoering van een eerste tuchtsanctie, behoort het de directie bij de toemeting van de tweede tuchtsanctie rekening te houden met de uitvoering van die eerste tuchtsanctie en de toepassing in de tijd van de tweede tuchtsanctie nader te bepalen.
Op basis van de tuchtbeslissingen kon de klager in elk geval ervan uitgaan dat hem de gemeenschappelijke wandeling van 5 oktober tot en met 11 oktober 2024 werd ontzegd en dat hij in de hem toegewezen verblijfsruimte van 4 oktober tot 18 oktober 2024 werd afgezonderd. Voor de uitsluiting van de gemeenschappelijke wandeling in de week na 18 oktober 2024 bood noch de eerste, noch de tweede tuchtbeslissing de nodige grondslag.