Ga verder naar de inhoud

BC/24-0348

Fondée Beroepscommissie Commission d'Appel Régime de sécurité particulier individuel
IBVR - PLAATSING - PROPORTIONALITEIT - MAANDELIJKSE EVALUATIE

Uit de bestreden beslissing blijkt niet waarom de actuele houding van beroepsindiener een voortdurende dreiging voor de veiligheid uitmaakt, te meer omdat er vervolgens wordt gesteld dat er geen nieuwe recente elementen zijn.
Ook in het voorliggende administratief dossier kan de beroepscommissie zelf geen concrete omstandigheden, noch gedragingen van beroepsindiener ontwaren die er op zouden wijzen dat hij een voortdurende dreiging voor de veiligheid uitmaakt.
In zoverre in de bestreden beslissing wordt gesteld dat beroepsindiener ‘weinig zelfinzicht en invraagstelling” toont in de gesprekken met de directie, stelt de beroepscommissie het tegendeel vast.

Gelet op het intussen verstreken tijdsbestek, vroeg de beroepscommissie ten overvloede ook het overeenkomstig artikel 118 §7 lid 2 vereiste verslag van de directeur op, waaruit eens te meer blijkt dat er geen sprake is van een voortdurende bedreiging voor de veiligheid in de zin van artikel 116 van de basiswet:
“(...) Gedurende het verloop van de BVM’s zijn er geen nieuwe elementen naar boven gekomen.(...) Betrokkene wordt wekelijks gezien in het kader van zijn veiligheidsregime. Deze contacten verlopen constructief.
Hij vraagt om een normalisatie van zijn regime. Aangezien er ook nu geen nieuwe elementen zijn, maar we nog steeds waakzaam moeten blijven, stellen we op dit moment een versoepeling van het huidige regime voor. We stellen voor om hem deel te laten nemen aan de ochtend- en avondwandeling en zijn bezoek en bewegingen te normaliseren.”
Er is aldus geen sprake van enige actualiteit noch bestendigheid van het initieel vastgestelde gevaar, zodat loutere versoepelingen volgens de beroepscommissie onvoldoende zijn om te remediëren aan de vastgestelde onwettigheid.