Ga verder naar de inhoud

BC/24-0263

Non fondée Beroepscommissie Commission d'Appel
INDIVIDUEEL BIJZONDER VEILIGHEIDSREGIME - HERNIEUWING - ONPARTIJDIGHEID - RECHT OP TEGENSPRAAK

De beroepsindiener handhaaft dat het inrichtingshoofd geen voorstel tot hernieuwing kon indienen, aangezien er ten aanzien van haar, wegens een eerdere tuchtprocedure, minstens een schijn van onpartijdigheid gold. De basiswet voorziet een regeling wanneer de tuchtfeiten gesteld zijn tegen de directeur of het inrichtingshoofd zelf, maar er bestaat geen gelijkaardig artikel in het kader van een individueel bijzonder veiligheidsregime. De eigenlijke beslissing tot hernieuwing van het IBVR gebeurt ook niet door het inrichtingshoofd, maar door de directeur-generaal. Het inrichtingshoofd heeft slechts een adviserende rol. De beroepscommissie is van oordeel dat nergens uit het voorstel tot hernieuwing, of doorheen de verdere procedure, blijkt dat er sprake is van een partijdigheid van het inrichtingshoofd die de procedure voor het nemen van de IBVR beslissing zou kunnen aantasten.

Over de proportionaliteit van het IBVR is de beroepscommissie van oordeel dat uit de beslissing van de directeur-generaal nog steeds blijkt dat er een actuele bedreiging van de veiligheid bestaat, die een IBVR en de hierbij opgelegde maatregelen verantwoordt.

Over de schending van het recht op tegenspraak stelt de beroepscommissie dat gelet op de vertrouwelijkheid deze informatie in ieder geval niet inhoudelijk gedeeld kon worden met de gedetineerde, zodat het tijdstip van het verkrijgen van deze informatie in dit dossier geen negatieve invloed heeft gehad op het recht op tegenspraak. De beroepscommissie herhaalt in dat kader dat zij door de systematische inzage in het register conform art. 8 § 1 laatste lid van de basiswet de rechterlijke controle conform artikel 6 EVRM garandeert en op die manier de rechten van verdediging van de gedetineerde waarborgt.

Het beroep is ontvankelijk, maar ongegrond.