BC/24-0259
Non fondée
Beroepscommissie
Commission d'Appel
Mesure provisoire
Disciplinaire
VOORLOPIGE MAATREGEL – TUCHT
De gedetineerde heeft beroep ingediend tegen een beslissing van de klachtencommissie waarbij zowel een klacht over een voorlopige maatregel als een klacht over een tuchtbeslissing ongegrond werden verklaard.
Wat betreft de voorlopige maatregel, volgt de beroepscommissie de klachtencommissie. Zij wijst in het bijzonder op de volgende zinnen uit het RAD van 29 juni 2024: “Vervolgens stond hij op van zijn stoel en maakte hij aanstalten om naar de sectie te gaan en zei: “ik zal jou is laten zien dat ik het meen en zal de eerste beste Marokkaan pakken en in stukken snijden voor uw ogen”. De beroepscommissie meent dat het uiten van deze woorden een voldoende ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid was die de plaatsing van klager onder de voorlopige maatregel van een verplicht verblijf op de hem toegewezen verblijfsruimte kon rechtvaardigen. Het beroep is op dit vlak niet gegrond.
Ook wat betreft de tuchtbeslissing, volgt de beroepscommissie de klachtencommissie. Waar klager aanvoert dat er een schending van zijn recht op bijstand van een advocaat was, stelt de beroepscommissie vast dat klager weigerde om op de tuchtzitting te verschijnen. Door het bewust wegblijven van klager op de tuchtzitting, zijn er geen ‘ingeroepen redenen’ op basis waarvan de directeur had kunnen beslissen om de tuchtzitting uit te stellen, waarop klager dan eventueel nog kon worden bijgestaan. Er is geen schending van het recht op bijstand van een advocaat. De directie legde aan klager bovendien een bijzondere tuchtsanctie op. De beroepscommissie bevestigt dat het verband tussen de aard en omstandigheden van de inbreuk enerzijds en de tuchtsanctie anderzijds overduidelijk is en werd gemotiveerd in de tuchtbeslissing. Het beroep is ook op dit vlak niet gegrond.
De gedetineerde heeft beroep ingediend tegen een beslissing van de klachtencommissie waarbij zowel een klacht over een voorlopige maatregel als een klacht over een tuchtbeslissing ongegrond werden verklaard.
Wat betreft de voorlopige maatregel, volgt de beroepscommissie de klachtencommissie. Zij wijst in het bijzonder op de volgende zinnen uit het RAD van 29 juni 2024: “Vervolgens stond hij op van zijn stoel en maakte hij aanstalten om naar de sectie te gaan en zei: “ik zal jou is laten zien dat ik het meen en zal de eerste beste Marokkaan pakken en in stukken snijden voor uw ogen”. De beroepscommissie meent dat het uiten van deze woorden een voldoende ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid was die de plaatsing van klager onder de voorlopige maatregel van een verplicht verblijf op de hem toegewezen verblijfsruimte kon rechtvaardigen. Het beroep is op dit vlak niet gegrond.
Ook wat betreft de tuchtbeslissing, volgt de beroepscommissie de klachtencommissie. Waar klager aanvoert dat er een schending van zijn recht op bijstand van een advocaat was, stelt de beroepscommissie vast dat klager weigerde om op de tuchtzitting te verschijnen. Door het bewust wegblijven van klager op de tuchtzitting, zijn er geen ‘ingeroepen redenen’ op basis waarvan de directeur had kunnen beslissen om de tuchtzitting uit te stellen, waarop klager dan eventueel nog kon worden bijgestaan. Er is geen schending van het recht op bijstand van een advocaat. De directie legde aan klager bovendien een bijzondere tuchtsanctie op. De beroepscommissie bevestigt dat het verband tussen de aard en omstandigheden van de inbreuk enerzijds en de tuchtsanctie anderzijds overduidelijk is en werd gemotiveerd in de tuchtbeslissing. Het beroep is ook op dit vlak niet gegrond.