BC/24-0149
Fondée
Beroepscommissie
Commission d'Appel
Régime de sécurité particulier individuel
IBVR - BEVOEGDHEID - MOTIVERING - SUBSIDIARITEIT
Daargelaten de vraag hoe lang de daadwerkelijke aanwijzing van een titularis in de functie van directeur-generaal penitentiaire inrichtingen op zich zal laten wachten, doet beroepsindiener thans (i.e. ongeveer drie maanden na de aanstelling van de directeur-generaal ad interim) niet blijken van een actueel belang bij de toepassing van de exceptie van illegaliteit uit artikel 159 van de grondwet. De directeur-generaal ad interim mevrouw Van De Vijver was op 26 april 2024 alleszins bevoegd om een beslissing in toepassing van artikel 118 van de basiswet te nemen.
Bijgevolg werd de bestreden beslissing tot plaatsing in IBVR wel degelijk genomen door een daartoe bevoegd persoon.
Het vierde middel is dan ook, voor zover ontvankelijk, manifest ongegrond.
(...)
Hoewel die aanhoudingsbevelen gewag maken van een grootschalig mediagevoelig dossier van georganiseerde drugscriminaliteit waarin beroepsindiener een leidinggevende rol zou hebben, ontslaat dit de directeur-generaal niet van de motiveringsplicht met betrekking tot de tweede inhoudelijke voorwaarde (subsidiariteit) die moet vervuld zijn op het moment van het opleggen van het IBVR.
Hier anders over oordelen en een dergelijke standaardmotivering op grond van een aanhoudingsmandaat aanvaarden, zou met zich meebrengen dat alle gedetineerden die zich in voorhechtenis bevinden in een gelijkaardige omvangrijke strafzaak, automatisch en onbeperkt onder IBVR kunnen worden geplaatst, bij gebreke van mogelijke evaluatie.
Uit het voorgaande volgt dat het eerste en derde middel gegrond is en dat de bestreden beslissing in strijd met artikel 116 van de Basiswet werd genomen, met name in bijzonder met de daarin besloten motiveringsplicht met betrekking tot de principes van subsidiariteit, actualiteit en proportionaliteit.
Daargelaten de vraag hoe lang de daadwerkelijke aanwijzing van een titularis in de functie van directeur-generaal penitentiaire inrichtingen op zich zal laten wachten, doet beroepsindiener thans (i.e. ongeveer drie maanden na de aanstelling van de directeur-generaal ad interim) niet blijken van een actueel belang bij de toepassing van de exceptie van illegaliteit uit artikel 159 van de grondwet. De directeur-generaal ad interim mevrouw Van De Vijver was op 26 april 2024 alleszins bevoegd om een beslissing in toepassing van artikel 118 van de basiswet te nemen.
Bijgevolg werd de bestreden beslissing tot plaatsing in IBVR wel degelijk genomen door een daartoe bevoegd persoon.
Het vierde middel is dan ook, voor zover ontvankelijk, manifest ongegrond.
(...)
Hoewel die aanhoudingsbevelen gewag maken van een grootschalig mediagevoelig dossier van georganiseerde drugscriminaliteit waarin beroepsindiener een leidinggevende rol zou hebben, ontslaat dit de directeur-generaal niet van de motiveringsplicht met betrekking tot de tweede inhoudelijke voorwaarde (subsidiariteit) die moet vervuld zijn op het moment van het opleggen van het IBVR.
Hier anders over oordelen en een dergelijke standaardmotivering op grond van een aanhoudingsmandaat aanvaarden, zou met zich meebrengen dat alle gedetineerden die zich in voorhechtenis bevinden in een gelijkaardige omvangrijke strafzaak, automatisch en onbeperkt onder IBVR kunnen worden geplaatst, bij gebreke van mogelijke evaluatie.
Uit het voorgaande volgt dat het eerste en derde middel gegrond is en dat de bestreden beslissing in strijd met artikel 116 van de Basiswet werd genomen, met name in bijzonder met de daarin besloten motiveringsplicht met betrekking tot de principes van subsidiariteit, actualiteit en proportionaliteit.