Ga verder naar de inhoud

BC/23-0299

Non fondée Beroepscommissie Commission d'Appel Disciplinaire
TUCHT - GEÏNTERNEERDE - MOTIVERING - TEGEMOETKOMING

In deze zaak bevestigt de beroepscommissie de beslissing van de klachtencommissie. Deze laatste had de initiële klacht gegrond verklaard. Het beroep, ingediend door het inrichtingshoofd werd ongegrond verklaard. Het ging om een tuchtbeslissing die werd genomen ten aanzien van een geïnterneerde. De klachtencommissie had geoordeeld dat de directie onvoldoende gemotiveerd had waarom de tuchtbeslissing aan klager toegerekend werd (i.c. een geïnterneerde).

Art. 144 §6 lid 2 van de Basiswet stelt dat de gedetineerde enkel schuldig verklaard kan worden aan de hem ten laste gelegde tuchtinbreuk “wanneer de directeur, op grond van al het bewijsmateriaal
waarover hij beschikt, de ten laste feiten bewezen acht en de daarvoor ter verantwoording geroepen gedetineerde daaraan schuldig acht.” Deze bepaling benadrukt het belang van de individuele toerekenbaarheid aan de gedetineerde, in die zin dat men eerst moet nagaan of een gedetineerde wel verantwoordelijk geacht kan worden voor bepaalde feiten en of hij/zij op het moment van het plegen van de tuchtinbreuk wel helder en bewust was. Deze voorafgaande beoordeling is in het bijzonder van belang in het geval van geïnterneerden, zoals in casu het geval is.

Op het moment van de feiten waren de instructies van DG EPI van 22 december 2022 van toepassing waarbij de in acht te nemen werkwijze ten aanzien van geïnterneerde personen bij een tuchtprocedure geschetst worden. Deze instructies, net zoals de vaste rechtspraak van de Raad van State, benadrukken dat er moet gemotiveerd worden in de tuchtbeslissing waarom de persoon verantwoordelijk geacht wordt op het moment van de gepleegde feiten “op basis van alle info waarover hij beschikt”. Voor die beoordeling moet er steeds in casu worden nagegaan of een voorafgaande beoordeling door een arts-psychiater omtrent de toestand van de geïnterneerde noodzakelijk is. In alle geval geldt er een motiveringsplicht in hoofde van de directie, een gegeven dat door geen van beide partijen betwist wordt.

In de tuchtbeslissing staat dat “op basis van alle beschikbare informatie” geconcludeerd wordt dat klager verantwoordelijk is voor de gepleegde inbreuk. De beroepscommissie volgt de klachtencommissie waar zij stelt dat op geen enkele manier gemotiveerd wordt waarom de feiten aan klager konden worden toegerekend. Door te suggereren dat de zinsnede “op basis van alle beschikbare informatie” volstaat als motivering, wordt de motiveringsplicht ten aanzien van de gedetineerde uitgehold aangezien “alle beschikbare informatie” op geen enkele manier geconcretiseerd of gespecificeerd wordt. Het kan niet de bedoeling zijn dat een loutere stijlformule wordt toegevoegd aan de motivering van de tuchtbeslissing.

Wat de tegemoetkoming betreft werpt het inrichtingshoofd in haar beroepschrift op dat de klachtencommissie de draagwijdte van artikel 158 §4 van de Basiswet schendt, door te oordelen dat enkel vergoedingen in de vorm van een geldsom zijn uitgesloten, en het feit dat de uitvoering van de tegemoetkoming een kost voor de gevangenis met zich meebrengt, niet betekent dat de tegemoetkoming financieel van aard is. Bovendien is er volgens het inrichtingshoofd geen enkele wettelijke basis om dit type van uitgaven toe te voegen aan de jaarlijkse begroting, zodat er sprake is van een schending van artikel 174 van de Grondwet en artikel 43 van de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat.

Het inrichtingshoofd vertrekt van het arrest nr. 252.827 van 31 januari 2022, waarin de Raad van State de contouren vastlegt waarbinnen een tegemoetkoming toelaatbaar is en in het bijzonder hoe het adjectief ‘financiële tegemoetkoming’ uit artikel 158 §4 van de Basiswet moet worden uitgelegd. In haar arrest stelt de Raad van State aldus dat het adjectief ‘financieel’ dient te worden uitgelegd als een vergoeding in de vorm van een geldsom en dat artikel 158 van de Basiswet aldus alleen een vergoeding in geld uitsluit. Bovendien benadrukte de Raad van State vervolgens dat uit de parlementaire voorbereidingen volgt dat dit artikel er zich niet tegen verzet dat de tegemoetkoming een bijkomende financiële uitgave voor het penitentiair bestuur met zich meebrengt.

Waar het inrichtingshoofd erop wijst dat er geen wettelijke basis zou bestaan om ‘dit type van uitgaven toe te voegen aan de jaarlijkse begroting’, wijst de beroepscommissie er op dat artikel 158 §4 daarentegen de wettelijke basis vormt voor de mogelijke kosten die de penitentiaire administratie moet dragen inzake een toegekende tegemoetkoming.