BC/23-0293
Non fondée
Beroepscommissie
Commission d'Appel
Autre décision directeur
ANDERE BESLISSING DIRECTEUR - ORDEMAATREGEL - ONTSLAG
Het inrichtingshoofd diende beroep in tegen de beslissing van de klachtencommissie voor zover zij de ontslagbeslissing vernietigde.
De klachtencommissie oordeelde in essentie dat de ordemaatregel een verdoken tuchtsanctie betrof.
Het inrichtingshoofd voert in zijn beroepschrift aan dat de directie gehandeld heeft zoals de dienstnota van 18 juni 2015 inzake arbeid- tucht- veiligheidsmaatregel heeft voorgeschreven: de werkrelatie werd (tijdelijk) niet meer mogelijk geacht na een tuchtrechtelijke inbreuk door klaagster. De ordemaatregel is volgens het inrichtingshoofd wettelijk, redelijk en billijk.
De richtlijnen laten volgens de beroepscommissie in het geval van de derde hypothese (‘de gedetineerde begaat een tuchtinbreuk’) inderdaad toe om aan de gedetineerde via een ordemaatregel een tijdelijke uitsluiting van werk op te leggen in plaats van een afzetting (die in principe voor onbepaalde duur geldt). Het principe dat dit geen verdoken tuchtsanctie mag zijn of lijken blijft evenwel ook in het geval van een tijdelijke uitsluiting gewoon gelden. De dienstnota bepaalt duidelijk dat dit slechts kan na afloop van de tuchtsanctie.
Het inrichtingshoofd is duidelijk van oordeel dat de feiten in kwestie een tuchtrechtelijke inbreuk uitmaken. De dienstnota hanteert als uitgangspunt dat in het geval van de derde hypothese daadwerkelijk een tuchtprocedure gevolgd wordt. Evenwel is er ten aanzien van klaagster geen tuchtprocedure opgestart. De reden daarachter blijkt niet uit het dossier.
De beroepscommissie meent dat uit deze handelswijze van de directie (alsook haar woordgebruik) blijkt dat de ordemaatregel genomen werd met de finaliteit klaagster te bestraffen voor de feiten die zich hebben voorgedaan. De klachtencommissie oordeelde terecht dat er sprake is van een verdoken tuchtsanctie. Met deze ordemaatregel werden aan klaagster de waarborgen van de tuchtprocedure ontnomen, zoals het hoorrecht, de bijstand van een raadsman en de wettelijk bepaalde gevolgen/sancties (waarbij de uitsluiting van werk voor maximum 30 dagen opgelegd kan worden).
De beroepscommissie beoordeelt het beroep als ongegrond en bevestigt de beslissing van de klachtencommissie om de ordemaatregel te vernietigen. De beroepscommissie meent evenwel dat de beslissing van de klachtencommissie om aan klaagster een tegemoetkoming toe te kennen niet redelijk is daar er niet-toegelaten gedrag (het drinken van alcohol) aan de basis ligt van de feiten. De beroepscommissie vernietigt dan ook dit aspect van de beslissing van de klachtencommissie.
Het inrichtingshoofd diende beroep in tegen de beslissing van de klachtencommissie voor zover zij de ontslagbeslissing vernietigde.
De klachtencommissie oordeelde in essentie dat de ordemaatregel een verdoken tuchtsanctie betrof.
Het inrichtingshoofd voert in zijn beroepschrift aan dat de directie gehandeld heeft zoals de dienstnota van 18 juni 2015 inzake arbeid- tucht- veiligheidsmaatregel heeft voorgeschreven: de werkrelatie werd (tijdelijk) niet meer mogelijk geacht na een tuchtrechtelijke inbreuk door klaagster. De ordemaatregel is volgens het inrichtingshoofd wettelijk, redelijk en billijk.
De richtlijnen laten volgens de beroepscommissie in het geval van de derde hypothese (‘de gedetineerde begaat een tuchtinbreuk’) inderdaad toe om aan de gedetineerde via een ordemaatregel een tijdelijke uitsluiting van werk op te leggen in plaats van een afzetting (die in principe voor onbepaalde duur geldt). Het principe dat dit geen verdoken tuchtsanctie mag zijn of lijken blijft evenwel ook in het geval van een tijdelijke uitsluiting gewoon gelden. De dienstnota bepaalt duidelijk dat dit slechts kan na afloop van de tuchtsanctie.
Het inrichtingshoofd is duidelijk van oordeel dat de feiten in kwestie een tuchtrechtelijke inbreuk uitmaken. De dienstnota hanteert als uitgangspunt dat in het geval van de derde hypothese daadwerkelijk een tuchtprocedure gevolgd wordt. Evenwel is er ten aanzien van klaagster geen tuchtprocedure opgestart. De reden daarachter blijkt niet uit het dossier.
De beroepscommissie meent dat uit deze handelswijze van de directie (alsook haar woordgebruik) blijkt dat de ordemaatregel genomen werd met de finaliteit klaagster te bestraffen voor de feiten die zich hebben voorgedaan. De klachtencommissie oordeelde terecht dat er sprake is van een verdoken tuchtsanctie. Met deze ordemaatregel werden aan klaagster de waarborgen van de tuchtprocedure ontnomen, zoals het hoorrecht, de bijstand van een raadsman en de wettelijk bepaalde gevolgen/sancties (waarbij de uitsluiting van werk voor maximum 30 dagen opgelegd kan worden).
De beroepscommissie beoordeelt het beroep als ongegrond en bevestigt de beslissing van de klachtencommissie om de ordemaatregel te vernietigen. De beroepscommissie meent evenwel dat de beslissing van de klachtencommissie om aan klaagster een tegemoetkoming toe te kennen niet redelijk is daar er niet-toegelaten gedrag (het drinken van alcohol) aan de basis ligt van de feiten. De beroepscommissie vernietigt dan ook dit aspect van de beslissing van de klachtencommissie.