BC/23-0201
Non fondée
Fondée
Beroepscommissie
Commission d'Appel
Régime de sécurité particulier individuel
INDIVIDUEEL BIJZONDER VEILIGHEIDSREGIME - PROPORTIONALITEIT
De beroepscommissie verklaart het beroep tegen de hernieuwing van het individueel bijzonder veiligheidsregime ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond, voor wat het aspect van het ontnemen van scherpe voorwerpen betreft.
De beroepscommissie oordeelt dat er geen sprake is van het medisch beroepsgeheim. Wel benadrukt de beroepscommissie dat de gedetineerde en desgevallend zijn advocaat tegenspraak moet kunnen doen gelden op alle stukken die de directie overmaakt als voorstel voor plaatsing of hernieuwing. Dat geldt dus ook over de medische stukken. Deze stukken moeten hem dus ter beschikking worden gesteld voor de hoorzitting, opdat hij ook hierover zijn verweer kan laten gelden.
Over de naleving van de procedurele voorwaarden in art. 118 van de basiswet, stelt de beroepscommissie dat er geen vormvereisten zijn aan het verslag van de hoorzitting. Ze besluit dat mocht het verslag in dit geval een verkeerde weergave zijn van wat er gezegd werd, de directeur-generaal zich in elk geval in zijn beslissing niet heeft gebaseerd op de foute weergave.
De beroepscommissie is van oordeel dat de beroepsindiener geen elementen aanhaalt die de commissie overtuigen om af te wijken van de schriftelijke procedure.
De beroepscommissie stelt dat de directeur-generaal voldoende elementen heeft aangevoerd die wijzen op een nog steeds actueel vluchtrisico. Dit risico wordt beschouwd als een voortdurende bedreiging voor de veiligheid. Het feit dat er nog geen incidenten zijn gebeurd, betekent niet dat er geen actuele dreiging is.
Het is nog steeds gerechtvaardigd is om vertrouwelijke informatie niet ter beschikking te stellen van de beroepsindiener, aangezien de kennisgeving ervan de openbare veiligheid en de interne en externe veiligheid van de gevangenisinstelling in gevaar zou kunnen brengen. De beroepscommissie benadrukt dat zij door systematische inzage in het register de waarborgen van de gedetineerde zeer serieus neemt en rechterlijke controle wenst te garanderen.
Wat de proportionaliteit betreft, merkt de beroepscommissie op dat het regime van de beroepsindiener sinds zijn aankomst bepaalde versoepelingen heeft ondergaan. De genomen maatregelen zijn telkens gemotiveerd vanuit het vluchtrisico. Waar mogelijk is men tegemoet gekomen aan de bezwaren van de beroepsindiener, aan de adviezen in de medische verslagen en aan de opmerkingen van de beroepscommissie. Wat de vraag voor deelname aan de gemeenschappelijke wandeling betreft, acht de beroepscommissie de motivering van de directeur-generaal om dat niet toe te kennen voldoende. De directeur-generaal stelt dat het beperken van contact met andere gedetineerden nodig is om het vluchtrisico en het risico voor de veiligheid van anderen te vrijwaren.
De beroepscommissie benadrukt wel de nood om voldoende zinvol menselijk contact te voorzien en voldoende variatie in de activiteiten. Ze stelt vast dat de penitentiaire administratie hier, mede gelet op de reeds doorgevoerde versoepelingen, wel degelijk bewust van is en hieraan zoveel mogelijk probeert tegemoet te komen.
Wat de maatregel van het ontnemen van scherpe of gevaarlijke voorwerpen betreft, is de beroepscommissie echter van oordeel dat de directeur-generaal in zijn motivering niet voldoende aantoont waarom deze maatregel nog noodzakelijk is en dat het dus minstens onredelijk lijkt om deze maatregel te blijven handhaven. Dat men de beroepsindiener reeds toelaat over zulke voorwerpen te beschikken, toont aan dat een beperkende maatregel hiervoor niet strikt noodzakelijk is ter bewaring van de veiligheid.
De beroepscommissie besluit dat er, buiten het aspect van het ontnemen van scherpe voorwerpen voor het overige geen elementen zijn om de beslissing van de directeur-generaal tot hernieuwing van het IBVR als onwettig of onredelijk te beschouwen. Ze draagt de directeur-generaal op om een nieuwe beslissing te nemen wat het ontnemen van scherpe goederen betreft.
De beroepscommissie verklaart het beroep tegen de hernieuwing van het individueel bijzonder veiligheidsregime ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond, voor wat het aspect van het ontnemen van scherpe voorwerpen betreft.
De beroepscommissie oordeelt dat er geen sprake is van het medisch beroepsgeheim. Wel benadrukt de beroepscommissie dat de gedetineerde en desgevallend zijn advocaat tegenspraak moet kunnen doen gelden op alle stukken die de directie overmaakt als voorstel voor plaatsing of hernieuwing. Dat geldt dus ook over de medische stukken. Deze stukken moeten hem dus ter beschikking worden gesteld voor de hoorzitting, opdat hij ook hierover zijn verweer kan laten gelden.
Over de naleving van de procedurele voorwaarden in art. 118 van de basiswet, stelt de beroepscommissie dat er geen vormvereisten zijn aan het verslag van de hoorzitting. Ze besluit dat mocht het verslag in dit geval een verkeerde weergave zijn van wat er gezegd werd, de directeur-generaal zich in elk geval in zijn beslissing niet heeft gebaseerd op de foute weergave.
De beroepscommissie is van oordeel dat de beroepsindiener geen elementen aanhaalt die de commissie overtuigen om af te wijken van de schriftelijke procedure.
De beroepscommissie stelt dat de directeur-generaal voldoende elementen heeft aangevoerd die wijzen op een nog steeds actueel vluchtrisico. Dit risico wordt beschouwd als een voortdurende bedreiging voor de veiligheid. Het feit dat er nog geen incidenten zijn gebeurd, betekent niet dat er geen actuele dreiging is.
Het is nog steeds gerechtvaardigd is om vertrouwelijke informatie niet ter beschikking te stellen van de beroepsindiener, aangezien de kennisgeving ervan de openbare veiligheid en de interne en externe veiligheid van de gevangenisinstelling in gevaar zou kunnen brengen. De beroepscommissie benadrukt dat zij door systematische inzage in het register de waarborgen van de gedetineerde zeer serieus neemt en rechterlijke controle wenst te garanderen.
Wat de proportionaliteit betreft, merkt de beroepscommissie op dat het regime van de beroepsindiener sinds zijn aankomst bepaalde versoepelingen heeft ondergaan. De genomen maatregelen zijn telkens gemotiveerd vanuit het vluchtrisico. Waar mogelijk is men tegemoet gekomen aan de bezwaren van de beroepsindiener, aan de adviezen in de medische verslagen en aan de opmerkingen van de beroepscommissie. Wat de vraag voor deelname aan de gemeenschappelijke wandeling betreft, acht de beroepscommissie de motivering van de directeur-generaal om dat niet toe te kennen voldoende. De directeur-generaal stelt dat het beperken van contact met andere gedetineerden nodig is om het vluchtrisico en het risico voor de veiligheid van anderen te vrijwaren.
De beroepscommissie benadrukt wel de nood om voldoende zinvol menselijk contact te voorzien en voldoende variatie in de activiteiten. Ze stelt vast dat de penitentiaire administratie hier, mede gelet op de reeds doorgevoerde versoepelingen, wel degelijk bewust van is en hieraan zoveel mogelijk probeert tegemoet te komen.
Wat de maatregel van het ontnemen van scherpe of gevaarlijke voorwerpen betreft, is de beroepscommissie echter van oordeel dat de directeur-generaal in zijn motivering niet voldoende aantoont waarom deze maatregel nog noodzakelijk is en dat het dus minstens onredelijk lijkt om deze maatregel te blijven handhaven. Dat men de beroepsindiener reeds toelaat over zulke voorwerpen te beschikken, toont aan dat een beperkende maatregel hiervoor niet strikt noodzakelijk is ter bewaring van de veiligheid.
De beroepscommissie besluit dat er, buiten het aspect van het ontnemen van scherpe voorwerpen voor het overige geen elementen zijn om de beslissing van de directeur-generaal tot hernieuwing van het IBVR als onwettig of onredelijk te beschouwen. Ze draagt de directeur-generaal op om een nieuwe beslissing te nemen wat het ontnemen van scherpe goederen betreft.