OVERPLAATSING - MOTIVERING
Overeenkomstig artikel 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen moet een bestuurshandeling uitdrukkelijk worden gemotiveerd. Deze motivering moet in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en zij moet afdoende zijn. De omstandigheid dat de beroepsindiener de opgegeven redenen inhoudelijk betwist, brengt niet mee dat de motivering formeel niet zou voldoen. Voor een afdoende motivering volstaat bovendien in beginsel een positieve motivering. Een beslissing tot overplaatsing is dan ook in beginsel afdoende gemotiveerd wanneer wordt aangegeven om welke redenen de gedetineerde wordt overgeplaatst naar de aangeduide gevangenis, zonder dat vereist is dat de redenen worden opgegeven waarom de gedetineerde niet naar enige andere gevangenis wordt overgeplaatst. De redelijkheid van de overplaatsing naar de aangeduide gevangenis zal immers in de regel niet worden bepaald door het opgeven van de redenen waarom niet voor enige andere gevangenis werd gekozen.
De beroepsindiener werd voor een terrorismemisdrijf veroordeeld. Gelet op de ruime discretionaire bevoegdheid waarover de penitentiaire administratie beschikt, kan de penitentiaire administratie binnen de grenzen van de redelijkheid een plaatsingsbeleid voeren waarbij zij op grond van een veiligheidsanalyse de voor terrorismemisdrijven veroordeelde gedetineerden zoveel als mogelijk over de verschillende gevangenissen spreidt. De redelijkheid van de beslissing tot overplaatsing van de beroepsindiener naar de gevangenis van Leuze-en-Hainaut is dan ook niet afhankelijk van het antwoord op de vraag of met de plaatsing van de betrokkene in een andere gevangenis, in Brussel of meer in de nabijheid van Brussel, een concreet gevaar of een concrete bedreiging gemoeid zou zijn. De evaluatie door OCAD waarnaar de beroepsindiener verwijst, is dan ook geen element dat bij de beoordeling van de redelijkheid van de bestreden beslissing bepalend is.
Artikel 8 EVRM brengt voor de penitentiaire administratie niet de verplichting mee de gedetineerde te plaatsen in de inrichting die het dichtst is gelegen bij de woonplaats van gezins- of familieleden of in een inrichting waar, in vergelijking met andere inrichtingen, de gezins- of familieleden met minder inspanningen of moeilijkheden de gedetineerde kunnen bezoeken. Artikel 8 EVRM biedt dan ook geen rechtsgrond voor een verscherpte motiveringsplicht in die zin dat de penitentiaire administratie de redenen zou moeten opgeven waarom de gedetineerde niet werd overgeplaatst naar enige andere dichter gelegen penitentiaire inrichting dan de inrichting waarnaar de betrokkene daadwerkelijk werd overgeplaatst. Artikel 8 EVRM vereist alleen dat bij de keuze van de plaats van detentie erover wordt gewaakt dat het contact met naaste familieleden behouden kan blijven, rekening houdend met de concrete situatie waarin zij zich bevinden en met de praktische mogelijkheden waarover zij beschikken om hun familielid te bezoeken.
Overeenkomstig artikel 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen moet een bestuurshandeling uitdrukkelijk worden gemotiveerd. Deze motivering moet in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en zij moet afdoende zijn. De omstandigheid dat de beroepsindiener de opgegeven redenen inhoudelijk betwist, brengt niet mee dat de motivering formeel niet zou voldoen. Voor een afdoende motivering volstaat bovendien in beginsel een positieve motivering. Een beslissing tot overplaatsing is dan ook in beginsel afdoende gemotiveerd wanneer wordt aangegeven om welke redenen de gedetineerde wordt overgeplaatst naar de aangeduide gevangenis, zonder dat vereist is dat de redenen worden opgegeven waarom de gedetineerde niet naar enige andere gevangenis wordt overgeplaatst. De redelijkheid van de overplaatsing naar de aangeduide gevangenis zal immers in de regel niet worden bepaald door het opgeven van de redenen waarom niet voor enige andere gevangenis werd gekozen.
De beroepsindiener werd voor een terrorismemisdrijf veroordeeld. Gelet op de ruime discretionaire bevoegdheid waarover de penitentiaire administratie beschikt, kan de penitentiaire administratie binnen de grenzen van de redelijkheid een plaatsingsbeleid voeren waarbij zij op grond van een veiligheidsanalyse de voor terrorismemisdrijven veroordeelde gedetineerden zoveel als mogelijk over de verschillende gevangenissen spreidt. De redelijkheid van de beslissing tot overplaatsing van de beroepsindiener naar de gevangenis van Leuze-en-Hainaut is dan ook niet afhankelijk van het antwoord op de vraag of met de plaatsing van de betrokkene in een andere gevangenis, in Brussel of meer in de nabijheid van Brussel, een concreet gevaar of een concrete bedreiging gemoeid zou zijn. De evaluatie door OCAD waarnaar de beroepsindiener verwijst, is dan ook geen element dat bij de beoordeling van de redelijkheid van de bestreden beslissing bepalend is.
Artikel 8 EVRM brengt voor de penitentiaire administratie niet de verplichting mee de gedetineerde te plaatsen in de inrichting die het dichtst is gelegen bij de woonplaats van gezins- of familieleden of in een inrichting waar, in vergelijking met andere inrichtingen, de gezins- of familieleden met minder inspanningen of moeilijkheden de gedetineerde kunnen bezoeken. Artikel 8 EVRM biedt dan ook geen rechtsgrond voor een verscherpte motiveringsplicht in die zin dat de penitentiaire administratie de redenen zou moeten opgeven waarom de gedetineerde niet werd overgeplaatst naar enige andere dichter gelegen penitentiaire inrichting dan de inrichting waarnaar de betrokkene daadwerkelijk werd overgeplaatst. Artikel 8 EVRM vereist alleen dat bij de keuze van de plaats van detentie erover wordt gewaakt dat het contact met naaste familieleden behouden kan blijven, rekening houdend met de concrete situatie waarin zij zich bevinden en met de praktische mogelijkheden waarover zij beschikken om hun familielid te bezoeken.