Ga verder naar de inhoud

BC/22-0162

Fondée Beroepscommissie Commission d'Appel
TUCHT - SANCTIE - BEVOEGDHEID

Het inrichtingshoofd kan worden gevolgd dat de vernietiging van de tuchtbeslissing zonder meer, afbreuk doet aan haar belangen, nu de klachtencommissie vaststelde dat een tuchtsanctie op zich wel degelijk aan de orde is.
De beroepscommissie herinnert eraan dat de klachtencommissie over andere bevoegdheden beschikt die ter zake meer recht kunnen doen aan de belangen van het inrichtingshoofd.
Waar het inrichtingshoofd suggereert dat de klachtencommissie toepassing had moeten maken van artikel 158 §3 1° van de basiswet, en de directie aldus had moeten opdragen een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van haar uitspraak, merkt de beroepscommissie evenwel op dat deze injunctiebevoegdheid slechts passend is in zoverre de tuchtsanctie nog niet werd ondergaan of in zoverre de klachtencommissie over onvoldoende elementen beschikt en de directie zelf een nieuw onderzoek zou moeten verrichten.
In casu was de tuchtsanctie echter volledig ondergaan en werd slechts vastgesteld dat de directeur bij de straftoemeting geen rekening hield met welbepaalde verzachtende omstandigheden, die zij evenwel onmiskenbaar wenste in rekening te nemen.Artikel 143 §1 van de Basiswet bepaalt nochtans uitdrukkelijk dat de directeur moet rekening houden met de verzachtende omstandigheden bij de toemeting van de tuchtsanctie, quod non in casu.
De beroepscommissie wijst er op dat de klachtencommissie in die omstandigheden daarentegen toepassing had moeten maken van haar substitutiebevoegdheid en op grond van artikel 158 §3 2° had moeten bepalen dat haar uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde beslissing.
De beroepscommissie matigt de thans voorliggende tuchtsanctie dan ook tot 15 dagen ATV, mede rekening houdend met de vaststelling dat het videobezoek van klager met zijn dochtertje voorheen zonder meer geweigerd werd.