OVERPLAATSING
De directeur-generaal weerlegt niet dat de afstand tussen Ieper, waar de partner van de beroepsindiener met hun zoon woont, en de gevangenis van Beveren redelijkerwijze niet met het openbaar vervoer te overbruggen valt. Een opzoeking op internet bevestigt dat een enkele reis van Ieper naar de gevangenis van Beveren met het openbaar vervoer meer dan drie uur vergt. Uit de stukken van het dossier blijkt dat de betrokkene wel degelijk regelmatig bezoek kreeg. Het verzoek tot overplaatsing van de directie van de gevangenis van Gent vermeldt dat hij tijdens zijn verblijf in de gevangenis van Ieper bijna dagelijks bezoek (ook kinderbezoek, familiaal bezoek, ongestoord bezoek) kreeg en dat de betrokkene ook in Gent het nodige zou doen om het bezoek door zijn partner en hun zoontje mogelijk te maken. De loutere omstandigheid dat alle penitentiaire inrichtingen in West- en Oost-Vlaanderen, op de gevangenis van Beveren na, te kampen hebben met een uitgesproken overbevolking, kan niet meebrengen dat voor geen enkele gedetineerde niet meer de afweging moet worden gemaakt tussen het recht op gezinsleven van de gedetineerde enerzijds en het belang om de aanzienlijke overbevolking in de gevangenissen van West- en Oost-Vlaanderen te beperken anderzijds. Voorts geeft de beslissing van de directeur-generaal geen afdoende antwoord op de vrees van de beroepsindiener dat hij bij een verblijf in de gevangenis van Beveren opnieuw onder druk zal worden gezet om drugs binnen te brengen en dat degenen die hem destijds onder druk zetten, nog steeds in die gevangenis verblijven. Dat dit ‘incident’ zich in 2018 voordeed, volstaat niet om aan die vrees haar terechte karakter te ontnemen. Uit de beslissing van de directeur-generaal valt niet af te leiden dat de gevangenis van Brugge dermate overbevolkt is, dat elke overplaatsing van een definitief veroordeelde per definitie en absoluut onmogelijk is. Ongetwijfeld is de gevangenis van Brugge een overbevolkte gevangenis. Dit neemt niet weg dat de penitentiaire administratie erover moet waken dat bij het bepalen van welke definitief veroordeelden kunnen worden geplaatst in een overbevolkte gevangenis, rekening wordt gehouden met de urgentie of ernst van het belang dat elk van deze definitief veroordeelden bij een plaatsing in die gevangenis kan laten gelden. De beroepscommissie komt op deze gronden tot de conclusie dat de directeur-generaal niet na een zorgvuldige afweging van alle in het geding betrokken belangen en niet in redelijkheid tot de bestreden beslissing is kunnen komen.
De directeur-generaal weerlegt niet dat de afstand tussen Ieper, waar de partner van de beroepsindiener met hun zoon woont, en de gevangenis van Beveren redelijkerwijze niet met het openbaar vervoer te overbruggen valt. Een opzoeking op internet bevestigt dat een enkele reis van Ieper naar de gevangenis van Beveren met het openbaar vervoer meer dan drie uur vergt. Uit de stukken van het dossier blijkt dat de betrokkene wel degelijk regelmatig bezoek kreeg. Het verzoek tot overplaatsing van de directie van de gevangenis van Gent vermeldt dat hij tijdens zijn verblijf in de gevangenis van Ieper bijna dagelijks bezoek (ook kinderbezoek, familiaal bezoek, ongestoord bezoek) kreeg en dat de betrokkene ook in Gent het nodige zou doen om het bezoek door zijn partner en hun zoontje mogelijk te maken. De loutere omstandigheid dat alle penitentiaire inrichtingen in West- en Oost-Vlaanderen, op de gevangenis van Beveren na, te kampen hebben met een uitgesproken overbevolking, kan niet meebrengen dat voor geen enkele gedetineerde niet meer de afweging moet worden gemaakt tussen het recht op gezinsleven van de gedetineerde enerzijds en het belang om de aanzienlijke overbevolking in de gevangenissen van West- en Oost-Vlaanderen te beperken anderzijds. Voorts geeft de beslissing van de directeur-generaal geen afdoende antwoord op de vrees van de beroepsindiener dat hij bij een verblijf in de gevangenis van Beveren opnieuw onder druk zal worden gezet om drugs binnen te brengen en dat degenen die hem destijds onder druk zetten, nog steeds in die gevangenis verblijven. Dat dit ‘incident’ zich in 2018 voordeed, volstaat niet om aan die vrees haar terechte karakter te ontnemen. Uit de beslissing van de directeur-generaal valt niet af te leiden dat de gevangenis van Brugge dermate overbevolkt is, dat elke overplaatsing van een definitief veroordeelde per definitie en absoluut onmogelijk is. Ongetwijfeld is de gevangenis van Brugge een overbevolkte gevangenis. Dit neemt niet weg dat de penitentiaire administratie erover moet waken dat bij het bepalen van welke definitief veroordeelden kunnen worden geplaatst in een overbevolkte gevangenis, rekening wordt gehouden met de urgentie of ernst van het belang dat elk van deze definitief veroordeelden bij een plaatsing in die gevangenis kan laten gelden. De beroepscommissie komt op deze gronden tot de conclusie dat de directeur-generaal niet na een zorgvuldige afweging van alle in het geding betrokken belangen en niet in redelijkheid tot de bestreden beslissing is kunnen komen.