Ga verder naar de inhoud

BC/21-0237

Non fondée Beroepscommissie Commission d'Appel Mesure de sécurité particulière
BIJZONDERE VEILIGHEIDSMAATREGEL - BIJSTAND ADVOCAAT - HOORPLICHT - RECHT VAN VERDEDIGING

De Beroepscommissie stelt vast dat geïntimeerde nog niet het statuut van geïnterneerde had op het moment van de feiten die aanleiding gaven tot het opleggen van de BVM, doch dat appellant wel erkent dat de gedetineerde reeds kampte met een psychiatrische problematiek en hij al op de psychiatrische vleugel was ondergebracht. De Beroepscommissie is van oordeel dat geïntimeerde, ondanks zijn psychische kwetsbaarheid, niet in het bijzijn van een raadsman had moeten worden gehoord. Het is slechts wanneer er sprake is van het statuut van geïnterneerde, dat dergelijke bijstand vereist is. Het is immers niet aan de directie om zelf in te schatten of een gedetineerde al dan niet voldoende psychische capaciteiten heeft om zonder raadsman gehoord te worden. De Basiswet bevat een hoorplicht doch geen mogelijkheid van bijstand door een raadsman bij het gehoor in het kader van de BVM.

De Beroepscommissie merkt op dat de voorlopige maatregel (VM) met zich mee had moeten brengen dat geïntimeerde binnen de 72 uur had moeten worden gehoord in het kader van de tuchtprocedure. Het administratief dossier bevat evenwel geen mededeling waarbij geïntimeerde schriftelijk in kennis werd gesteld van enige tuchtprocedure. In die zin doet de bijzondere veiligheidsmaatregel zich in feite voor als een verdoken tuchtsanctie waarbij de bijhorende garanties van de tuchtprocedure werden omzeild. Door aldus een BVM op te leggen na de VM, omzeilde appellant in het bijzonder de waarborg van het recht op bijstand van een advocaat bij een tuchtprocedure, zodat de Klachtencommissie in die zin alsnog terecht van oordeel was dat de rechten van verdediging van geïntimeerde werden geschonden.

Het beroep is ongegrond.